Onhoudbaar

Langzaam word ik wakker. Ik probeer op de klok aan de muur voor mij te zien hoe laat het is, maar ik kan het niet ontcijferen. Ik steek mijn rechterhand uit en op de tast pak ik mijn bril van het nachtkastje naast mij. Met trillende vingers zet ik de bril op mijn neus en zie dat het vijf voor zeven is, nog ongeveer een uur en vijf minuten tot Roos komt. Roos is een van de verzorgsters in het verpleegtehuis waar ik woon en ik weet dat ze vandaag dienst heeft. Als ze komt is ze altijd heel lief en ondanks haar veel te drukke schema maakt ze zelfs weleens tijd voor een kort praatje, ze is mijn favoriete verzorgster.

Ik blijf in bed liggen, want alleen opstaan kan ik al maanden niet meer. Zoals altijd vul ik de tijd met het denken aan vroeger. Vroeger, toen mijn man en mijn vrienden nog leefden, ik een rijk gevuld sociaal leven had en ik alles nog kon. Toen ik nog kon rennen en spelen met mijn kleinkinderen, toen mijn ogen nog prima waren en mijn handen niet beefden zodat ik mooie sjaals kon breien voor iedereen die ik lief had, toen ik nog zonder hulp naar het toilet kon en onder de douche. Ik probeer me mijn laatste douchebeurt voor de geest te halen, de warmte van de stralen over mijn oude gerimpelde huid en het schone gevoel daarna, maar ik kan het me niet meer herinneren.

Ik sluit mijn ogen en probeer nog een beetje te slapen, maar mijn volle blaas en rommelende darmen maken het onmogelijk om me over te geven aan mijn altijd aanwezige vermoeidheid en dus wacht ik.
Ik wacht op Roos, het lichtpuntje van mijn dag. Ik hoop dat ze tijd heeft voor een praatje, ik kan het vandaag extra goed gebruiken. Vandaag is het precies een jaar geleden dat Bert stierf. Bert en ik waren vijfenvijftig jaar getrouwd en ik mis hem nog elke dag. Morgen komen Riet en Frans, mijn kinderen, en zullen ze me meenemen naar zijn graf, maar vandaag ben ik alleen, vandaag hadden ze geen tijd.

Ik werp nog een blik op de klok, twintig over zeven is het inmiddels en mijn buik gaat steeds harder tekeer. Een gevoel van honger heeft zich gevoegd bij de aandrang die ik al voel sinds ik wakker ben, of misschien is het wel de reden dat ik wakker ben geworden. Veel medebewoners dragen om deze reden een luier, maar dat is iets dat ik echt niet wil, het zou me mijn laatste beetje waardigheid afnemen.

Ik probeer mijn gedachten te verzetten, anders hou ik het niet vol. Ik denk aan Jaden, mijn achterkleinkind. Ik moet even nadenken hoe ik het ook alweer moet uitspreken, maar mijn geheugen laat me in de steek en ik kom er niet meer op, ik twijfel zelfs of het wel Jaden is.

Een scherpe pijnscheut haalt me uit mijn gedachten, de aandrang is veranderd in heftige buikkrampen, maar ik zie dat ik nog twintig minuten moet wachten voor Roos er is om me op het toilet te helpen. Ik vervloek de ouderdom die ervoor zorgt dat ik dat zelf niet meer kan. Elke dag word ik een beetje ouder en is mijn gevecht een beetje moeilijker. Alles is veranderd en niets is meer vertrouwd, behalve Roos en de wekelijkse bezoekjes van mijn kinderen.

Ik kijk naar de klok, acht uur. De pijn verandert langzaam in een steeds extremer wordende vermoeidheid. Ik sluit mijn ogen weer en probeer toe te geven aan die vermoeidheid, als ik slaap merk ik niets van mijn eenzaamheid en voel ik geen pijn, als ik slaap voel ik geen gemis.
De deur gaat open, Roos komt binnen. Ze glimlacht vriendelijk en legt haar hand op de mijne. Ik open voor de laatste keer mijn ogen en glimlach naar haar. Dan voel ik dat mijn lichaam zich langzaam ontspant. De urine en ontlasting lopen mijn bed in, maar ik merk het niet meer. Terwijl Roos mijn hand vasthoudt sluit ik mijn ogen, om ze nooit meer open te doen. Het is goed zo, ik ben bevrijd.

Zorg voor de ouderen, zoals zij ooit voor jou zorgden.
Zorg voor een ander, zoals jij wil dat voor jou gezorgd wordt.

Over de schrijnende tekorten in de ouderenzorg en in welke zorg dan ook.

Advertenties

Schiet op!

Blue Arm Cast _ Growing Up Healthy

Vakkundig peuter ik met mijn slordig gelakte pinknagel ongezien een vieze groene substantie uit zijn linkerneusgat en smeer het aan een parkeerbonnetje dat ik in mijn jaszak vind. In mijn andere zak vind ik een half overgebleven koekje van, ja van wanneer eigenlijk? Ik geef het hem en hij valt tevreden sabbelend in slaap. Dan komt de dokter ons halen en mogen we mee naar binnen.

Vandaag is het zover, het oude gips gaat eraf en een schone frisse laag gaat erom. Ik kan niet wachten tot dat inmiddels geel met bruin geworden gips eraf is, maar Ferhat zelf vindt het erg spannend.
We liggen samen ‘gezellig’ op de bank. Ferhat kijkt op de Ipad een filmpje van Thomas en Piemelie. Piemelie is een blauwe vriend van Thomas en heet eigenlijk Timothy. Het heeft vele genante momenten gekost om daar achter te komen.

Ik schrik wakker van de sirene van een langsrijdende ambulance en kijk op het schermpje om erachter te komen dat het al veel te laat is. Ik schiet overeind, ren naar de badkamer en merk dat die rotlamp het alweer  niet doet. Gauw probeer ik in het licht van mijn telefoon de vouwen en frummels uit mijn gezicht te masseren, wat uiteraard niet volledig lukt. Tijd voor een dikke laag make up is er niet, dus ik moet het er maar mee doen.

Ik storm naar boven en pak een tevreden slapende Miran en Baran uit hun bedje. Als een drie-eenheid rennen we de trap af en gaan zitten op het donkerblauwe Ikea kinderkrukje in de gang om onze schoenen aan te trekken. Ik buig iets voorover om Mirans rechterschoentje uit de schoenenkast te pakken en onder een luide KRRRRRRRKKK zitten we ineens geschrokken een verdieping lager, blijkbaar zijn die kinderkrukjes niet gemaakt voor drie personen. Barans oogjes zijn wijd opengesperd van schrik en hij weet nog niet zo goed of hij moet huilen of niet. Een aai over zijn koppie doet hem besluiten dat een waterval van tranen in dit geval niet nodig is.
Miran bedenkt dat hij vandaag zijn jas niet aan wil en begint te mopperen. Een enkel chocolade eitje is genoeg om hem van gedachte te doen veranderen en we kunnen vertrekken.
Onder luid protest stop ik de twee kleinsten in hun autostoel. Als we eenmaal rijden wordt Miran nog bozer omdat hij echt niet in zijn stoel wil en huilt Baran steeds harder omdat hij eigenlijk nog niet was uitgeslapen. Ik besluit de radio iets harder te zetten en hoop dat de stoplichten meezitten vandaag. Ferhat en ik zingen luidkeels mee met ‘7 years’ en schenken even geen aandacht aan de brulapen op de achterbank.

Een minuut of vijf later rijden we de veel te kleine parkeerplaats van het ziekenhuis op. Na goed zoeken vind ik nog een miniem plaatsje achteraan in de hoek en na drie keer steken kunnen we eindelijk met zijn vieren aan de linkerkant uitstappen. Beschaamd hoop ik dat er niemand klaarstond met een camera om mij te filmen tijdens mijn parkeerstruggles en vervolgens het filmpje op het wereldwijde web te slingeren.

We lopen naar de ingang en proberen ons met zijn allen in het krappe vak van de draaideur te proppen. Dicht tegen elkaar aan past het net en nadat de deur maar drie keer is gestopt omdat het eigenlijk toch net niet pastte stappen we eindelijk het ziekenhuis binnen en nemen plaats in de veel te warme overvolle wachtkamer waar Baran het gelijk op een brullen zet. Zachtjes zing ik een kinderliedje in zijn oor en geef hem mijn sleutelbos. Hij neemt er genoegen mee, in ieder geval voor even.