Twee kinderen, twee werelden.

1481884941752

Links is Miran. Miran is mijn zoon. Miran is twee jaar. Miran heeft een vader, een moeder, broertjes en zusjes. Miran heeft een huis, een bed en elke dag schone kleren. Miran heeft genoeg te eten en altijd schoon drinkwater. Miran heeft veel speelgoed en als hij vies is gaat hij lekker in bad. Miran gaat elke dag naar school en speelt daar met zijn vriendjes. Miran groeit op tussen de bloemen en de vogels. Miran wordt omringd door leven. Miran woont in België.

Rechts is Azad. Azad is vijf jaar. Azad heeft geen vader, moeder, broertjes of zusjes meer. Azad heeft geen huis, geen bed en geen schone kleren. Azad heeft niet genoeg te eten en geen schoon drinkwater. Azad heeft geen speelgoed en kan niet in bad. Azad kan niet naar school en heeft geen vriendjes meer. Azad groeit op tussen bommen en geweerschoten. Azad wordt omringd door de dood. Azad woont in Syrië.

Twee kinderen, twee werelden. Zo ver uiteen. Maar of hij nu in België, in Syrië, of eender welk land woont, elk kind verdient een leven als Miran. Een leven zonder dood en angst, zonder vluchten en pijn, maar met een familie en vriendjes, voedsel en water, kleding, een huis en een school. Help kinderen als Azad. Kijk niet weg vanuit je warme bed, maar sta op voor kinderen zoals Azad.

Doneer kleding, dekens, of geld, of laat je stem horen, want jij maakt het verschil.

#PrayForAleppo #SaveTheChildren #KijkNietWeg #WhereIsTheLove

Advertenties

Wanneer de ene demon plaats maakt voor de andere lijkt alle hoop op menselijkheid vervlogen

fb_img_1481819431933

Samen met mama zit ik aan tafel. Voor ons staat een bord met wat rijst en groente. Ik heb honger, het is de eerste en enige maaltijd van de dag. We willen net beginnen te eten als ineens alles in huis begint te schudden. Verschrikt kijkt mama me enkele seconden aan, maar dan duwt ze me in een ruwe beweging onder de tafel, en met haar lichaam over het mijne beschermt ze me tegen de vallende glazen, brekende ramen en instortende plafonds. Verlamd van angst lig ik onder haar, met mijn ogen strak dicht geknepen wacht ik op wat komen gaat. Ik durf niet te kijken en niks te zeggen, ik lig daar, te wachten tot het voorbij is.

Als ik niks meer voel of hoor roep ik haar. Eerst zacht, maar steeds harder. Er komt geen reactie. Ik open mijn ogen, maar ik zie niks. Het is donker. Voorzichtig steek ik mijn hand uit naar haar gezicht. Ik voel dat haar ogen en mond open zijn en dat haar haar nat en plakkerig is. Ik probeer me onder haar uit te wurmen, maar het gaat niet. Ik lig klem. Om mij heen voel ik stenen en balken. Ik kan me niet bewegen en blijf stil liggen. Het enige geluid dat ik hoor is die van mijn eigen ademhaling. Ik probeer rustig te ademen, maar raak langzaam in paniek. De ruimte waarin ik mij bevind is klein en al het stof bemoeilijkt het ademhalen.

En dan voel ik het weer. Het lijkt alsof de aarde openbarst en alles om mij heen meeneemt in haar gevecht. Even snel als het begon is het ook weer geëindigd en ik wacht. Zachtjes huil ik. Het voelt alsof er uren zijn verstreken als ik plotseling een stem hoor ergens boven me. Met mijn laatste kracht probeer ik zo hard als ik kan te roepen en dan zak ik weg in een donkere leegte.

Als ik mijn ogen open lig ik op een matras. Het duurt een tijd voor het tot me doordringt waar ik ben. Er komt een vrouw bij me staan. Ze neemt mijn gezicht in haar handen en met tranen in haar ogen vertelt ze me wat er is gebeurd.

De stad is gebombardeerd, voor de zoveelste keer sinds het leger de stad probeert over te nemen. Huizen zijn ingestort en verdwenen, mensen zijn gestorven onder het puin en vermist in de chaos, en het weinige water en voedsel dat we hadden is geslonken tot een minimum. Ze vertelt ook dat ze mijn moeder hebben gevonden. Ze heeft mijn leven gered, maar heeft het zelf niet gehaald. Verscheurd van verdriet schreeuw ik het uit. Mijn leven is compleet ingestort. Ik heb geen moeder meer, geen huis, en al tijden geen school. Bijna al mijn vrienden en hun families zijn vermoord of gevlucht voor de executies en verkrachtingen van eerst IS en nu het regeringsleger, en mijn vader heb ik al dagen niet gezien. Ik ben alleen op deze verwoestende plek en heb niks, alleen de vieze gescheurde kleren die ik aan heb. Ik kijk om me heen en bij de aanblik van de vele ingestorte gebouwen welt zich een grote snik op in mijn keel gevolgd door een harde schreeuw. Ik wou dat ik bij mama was, ver van hier. Hier dat niks meer is dan een ravage vol dood en verderf.

Maar dan zie ik hem. Hinkend komt hij mijn richting uit gestrompeld; mijn vader, mijn held. Ergens diep onder mijn verdriet wordt plaats gemaakt voor een heel klein beetje vreugde, maar hoe klein ook, dat kleine beetje vreugde is sterk genoeg om een hele verandering teweeg te brengen. Het weet voor een intense overlevingsdrang te zorgen. En ondanks mijn diepgewortelde verdriet ben ik vastbesloten; wij geven niet op. Nooit.

Wanneer de ene demon plaats maakt voor de andere lijkt alle hoop op menselijkheid vervlogen.

#KijkNietWeg #PrayForAleppo #WhereIsTheLove

Alles, maar toch niets

Op haar blote voeten loopt ze door de modder. Samen met een van haar zussen speelt ze met stokken en steentjes. Ze heeft honger, maar ze weet dat er vandaag niets meer te eten is. Ze heeft niets, maar toch is ze gelukkig. Ze heeft een vader en een moeder, broers en zussen. Ze heeft vriendjes en vriendinnetjes en ze wil naar school, als ze groot is wil ze graag dokter worden, zodat ze de zieke mensen in haar dorp kan genezen. Ze heeft mooie dromen, dromen over een gelukkige toekomst. Ze heeft niets, maar toch heeft ze alles. Nog wel.

Met messen en geweren stormen ze haar dorp binnen, haar vader heeft haar nog net op tijd kunnen verstoppen achter het geheime luikje naast de deur. Er zitten kieren in het luikje waardoor ze precies kan zien hoe haar vader wordt doodgeschoten. Ze krimpt ineen en slaat een hand voor haar mond, tranen wellen in haar ogen, maar ze mag geen geluid maken.
Ze knijpt haar ogen dicht en stopt haar vingers in haar oren om maar zo min mogelijk mee te krijgen van het gegil en de schoten om haar heen. Als het eindelijk stil is duurt het nog uren voor ze uit haar schuilplek durft te komen.
Ze stapt om haar vader heen en gaat op zoek naar haar moeder, broers en zussen. Haar broers zijn doodgeschoten, net als haar vader. Van een buurvrouw hoort ze dat haar moeder en zussen zijn meegenomen, ze is helemaal alleen achter gebleven.
Met de buurvrouw vlucht ze mee. Weg van haar huis, waar niemand meer is om voor haar te zorgen. Weg van haar dorp met alle nare herinneringen. Weg van haar land waar ze niet veilig is en waar niemand haar onder zijn hoede neemt.

Na een zware, lange reis is ze aan gekomen in een vluchtelingenkamp in Nederland. Haar buurvrouw is ze onderweg kwijtgeraakt, de enige foto die ze nog van haar moeder heeft is vervaagd.

Ze wordt in een pleeghuis geplaatst en gaat naar school. Ze krijgt genoeg te eten, ze draagt leuke kleren en ze heeft een telefoon, maar ze is ongelukkig. Ze is alleen. Alleen met haar zorgen, alleen met haar angsten en alleen met haar verdriet. Als ze kon zou ze alles wat ze nu heeft omruilen voor het niets dat ze had. Het niets dat alles was, het niets dat geluk betekende.
Ze heeft nu alles, maar toch heeft ze niets.

Voor een ieder die vluchtelingen gelukszoekers noemt, ga je schamen.
Voor een ieder die vindt dat ze moeten oprotten naar hun eigen land, ga je schamen.
Voor een ieder die zegt dat het allemaal ratten zijn, ga je schamen.
Voor een ieder die zegt dat we geen plek hebben voor die vuile baanpikkers, ga je schamen.

Het zijn mensen, net als jij en ik, alleen hebben wij geluk gehad met de plek waar we zijn geboren. Dat geluk dat jij als vanzelfsprekend beschouwt en waar je niets voor hebt hoeven doen, daar hebben zij de meest verschrikkelijke opofferingen voor moeten doen en dan nog komt het niet eens in de buurt van een fractie van het geluk dat jou in je schoot is geworpen op het moment dat je hier voor het eerst je ogen opende.

En ja, ik ben ook bang.
Bang voor ‘wat’ er meereist met de stroom vluchtelingen.
Bang voor ‘wat’ zich verschuilt tussen de menigte.
Bang voor een ieder die niet oprecht is en hier komt met de verkeerde redenen.

We zijn allemaal bang, maar we zijn het verplicht aan oprechte mensen zoals zij om onze menselijkheid boven onze angst te zetten.
We zijn het verplicht aan oprechte mensen zoals zij om ons niet te laten leiden door de vrees van het onbekende.
We zijn het verplicht aan oprechte mensen zoals zij om een ieder de kans te geven op een veilig bestaan.

Wees niet zo egoistisch en ben bereid om je geluk te delen met hen die niks hebben, al is het maar een klein beetje, want uiteindelijk zijn we allemaal mensen.

Lachen, gieren, brullen

wp_ss_20160320_0002

Het is zondagochtend, voor velen een lekkere luie dag, maar voor ons de drukste dag van de week. Ik zet de cornflakes op de grote eettafel en neem samen met de kinderen plaats voor een lekker, maar onverantwoord ontbijt. Als iedereen zijn kommetje leeg heeft ruim ik de afwasmachine uit en pak hem weer in. Ferhat wil mij helpen en terwijl wij samen alle bordjes en bekers opruimen vertel ik hem dat ome Leon en ik vroeger een rijmpje hadden: Zeg eens nee, met je kop in de wc!
Ferhat komt niet meer bij van het lachen. Gierend vertelt hij mij dat hij ook een rijmpje weet. Hij heeft net leren rijmen van juf Julie en zijn rijmpje is echt heel grappig. Terwijl hij staat te wiebelen op zijn benen van enthousiasme probeert hij zijn rijmpje te vertellen. Door het lachen komt hij niet meer uit zijn woorden, het moet wel een heel extreem grappig rijmpje zijn, ik vermoed over poep of plas. Ik kan niet wachten om de geweldige mop te horen en mee te lachen en eindelijk krijgt hij het tussen twee lachbuien door over zijn lippen. ‘Zeg eens nee? Met je kop in de kast!’ Hij kan niet stoppen met lachen en ik complimenteer hem met dit geweldig grappige, zelfbedachte rijmpje.

Terwijl de kinderen lief spelen haal ik vlug de droge, schone was van het wasrek en vouw het op. De mand met de opgevouwen was zet ik boven op de overloop en ik neem mijzelf voor dat ik later vandaag alles in de juiste kasten zal leggen.

Eenmaal beneden zie ik dat Baran een groene viltstift heeft gevonden en zichzelf heeft omgetoverd tot de Hulk. Zijn handen en gezicht zitten helemaal onder de groene vlekken en strepen, evenals de witte vloer en de stoelkussentjes. Ik probeer zijn gezicht en handen voorzichtig schoon te poetsen, maar de hardnekkige stiftvlekken laten zich niet verwijderen. De vloer poets ik met een luierdoekje en de kussenhoezen probeer ik tevergeefs in de overvolle wasmand te deponeren, waar ze vrijwel direct van de hoog uitstekende bult op de grond glijden en ik besluit dat ik ze daar maar laat liggen. Ik haal de wasmachine leeg en hang alles keurig op, terwijl ik uit de woonkamer het geluid van een op stang gejaagde yeti hoor. Echt waar, hij bestaat, en wel in mijn huis, ik weet het nu zeker! Gauw kijk ik wie dit tenenkrommende geluid produceert en zie dat het Baran is. Behalve het irritante gebrom op hoog volume blijkt hij ook nog iets anders te produceren, of eigenlijk is het gebrom een direct gevolg van wat hij in zijn luier probeert te drukken. Ik neem hem mee naar de badkamer en vlug verschoon ik hem.

Als ik de kamer weer inloop zie ik iedereen fluisteren en gniffelen. Ik vraag wat er aan de hand is, maar niemand wil me dat vertellen. Het moet heel grappig zijn, want ze proesten het uit.

Ik pak de bezem en probeer alle koekkruimels, vastgeplakte, opgedroogde stukjes banaan en cornflakes bij elkaar te vegen. Steeds als ik me omdraai hoor ik mijn heksjes weer gniffelen. Ze weten niet waar ze moeten kijken en nog steeds wil niemand zeggen wat er is. Ik pak een emmer en vul hem met wat allesreiniger en heet water, stop de dweil erin, wring hem uit en begin de vloer te dweilen. Secuur poets ik alle chocomelvlekken en tomatensoepkledders van de vloer, onder steeds luider wordend gelach van mijn draakjes. Ik loop naar de keuken, spoel de dweil weer in de emmer sop en wring hem nogmaals uit. Ik doe de dweil weer in de houder, veeg mijn natte handen af aan mijn pyamabroek en voel dat ik briefgeld in mijn kontzak heb, vreemd. Het dringt tot me door dat ik helemaal geen kontzak heb in mijn pyamabroek en vraag me af wat het dan is. Ik besluit nog eens te voelen en op dat moment kan Ferhat het niet meer houden. Mekkerend als een schaapt roept hij ‘mamaaa, je hebt een witte sticker op je bil!’. De tranen rollen over zijn wangen van het lachen en de rest lacht even hard mee. Ik steek mijn hand naar achter en trek de zachte ‘sticker’ van mijn kont, om te ontdekken dat het om een ongebruikt inlegkruisje gaat. Hoe hij er terecht is gekomen is een raadsel, maar ik ben blij dat hij eraf is voordat de potentiële koper komt om onze auto te bekijken..