Twee kinderen, twee werelden.

1481884941752

Links is Miran. Miran is mijn zoon. Miran is twee jaar. Miran heeft een vader, een moeder, broertjes en zusjes. Miran heeft een huis, een bed en elke dag schone kleren. Miran heeft genoeg te eten en altijd schoon drinkwater. Miran heeft veel speelgoed en als hij vies is gaat hij lekker in bad. Miran gaat elke dag naar school en speelt daar met zijn vriendjes. Miran groeit op tussen de bloemen en de vogels. Miran wordt omringd door leven. Miran woont in België.

Rechts is Azad. Azad is vijf jaar. Azad heeft geen vader, moeder, broertjes of zusjes meer. Azad heeft geen huis, geen bed en geen schone kleren. Azad heeft niet genoeg te eten en geen schoon drinkwater. Azad heeft geen speelgoed en kan niet in bad. Azad kan niet naar school en heeft geen vriendjes meer. Azad groeit op tussen bommen en geweerschoten. Azad wordt omringd door de dood. Azad woont in Syrië.

Twee kinderen, twee werelden. Zo ver uiteen. Maar of hij nu in België, in Syrië, of eender welk land woont, elk kind verdient een leven als Miran. Een leven zonder dood en angst, zonder vluchten en pijn, maar met een familie en vriendjes, voedsel en water, kleding, een huis en een school. Help kinderen als Azad. Kijk niet weg vanuit je warme bed, maar sta op voor kinderen zoals Azad.

Doneer kleding, dekens, of geld, of laat je stem horen, want jij maakt het verschil.

#PrayForAleppo #SaveTheChildren #KijkNietWeg #WhereIsTheLove

Wanneer de ene demon plaats maakt voor de andere lijkt alle hoop op menselijkheid vervlogen

fb_img_1481819431933

Samen met mama zit ik aan tafel. Voor ons staat een bord met wat rijst en groente. Ik heb honger, het is de eerste en enige maaltijd van de dag. We willen net beginnen te eten als ineens alles in huis begint te schudden. Verschrikt kijkt mama me enkele seconden aan, maar dan duwt ze me in een ruwe beweging onder de tafel, en met haar lichaam over het mijne beschermt ze me tegen de vallende glazen, brekende ramen en instortende plafonds. Verlamd van angst lig ik onder haar, met mijn ogen strak dicht geknepen wacht ik op wat komen gaat. Ik durf niet te kijken en niks te zeggen, ik lig daar, te wachten tot het voorbij is.

Als ik niks meer voel of hoor roep ik haar. Eerst zacht, maar steeds harder. Er komt geen reactie. Ik open mijn ogen, maar ik zie niks. Het is donker. Voorzichtig steek ik mijn hand uit naar haar gezicht. Ik voel dat haar ogen en mond open zijn en dat haar haar nat en plakkerig is. Ik probeer me onder haar uit te wurmen, maar het gaat niet. Ik lig klem. Om mij heen voel ik stenen en balken. Ik kan me niet bewegen en blijf stil liggen. Het enige geluid dat ik hoor is die van mijn eigen ademhaling. Ik probeer rustig te ademen, maar raak langzaam in paniek. De ruimte waarin ik mij bevind is klein en al het stof bemoeilijkt het ademhalen.

En dan voel ik het weer. Het lijkt alsof de aarde openbarst en alles om mij heen meeneemt in haar gevecht. Even snel als het begon is het ook weer geëindigd en ik wacht. Zachtjes huil ik. Het voelt alsof er uren zijn verstreken als ik plotseling een stem hoor ergens boven me. Met mijn laatste kracht probeer ik zo hard als ik kan te roepen en dan zak ik weg in een donkere leegte.

Als ik mijn ogen open lig ik op een matras. Het duurt een tijd voor het tot me doordringt waar ik ben. Er komt een vrouw bij me staan. Ze neemt mijn gezicht in haar handen en met tranen in haar ogen vertelt ze me wat er is gebeurd.

De stad is gebombardeerd, voor de zoveelste keer sinds het leger de stad probeert over te nemen. Huizen zijn ingestort en verdwenen, mensen zijn gestorven onder het puin en vermist in de chaos, en het weinige water en voedsel dat we hadden is geslonken tot een minimum. Ze vertelt ook dat ze mijn moeder hebben gevonden. Ze heeft mijn leven gered, maar heeft het zelf niet gehaald. Verscheurd van verdriet schreeuw ik het uit. Mijn leven is compleet ingestort. Ik heb geen moeder meer, geen huis, en al tijden geen school. Bijna al mijn vrienden en hun families zijn vermoord of gevlucht voor de executies en verkrachtingen van eerst IS en nu het regeringsleger, en mijn vader heb ik al dagen niet gezien. Ik ben alleen op deze verwoestende plek en heb niks, alleen de vieze gescheurde kleren die ik aan heb. Ik kijk om me heen en bij de aanblik van de vele ingestorte gebouwen welt zich een grote snik op in mijn keel gevolgd door een harde schreeuw. Ik wou dat ik bij mama was, ver van hier. Hier dat niks meer is dan een ravage vol dood en verderf.

Maar dan zie ik hem. Hinkend komt hij mijn richting uit gestrompeld; mijn vader, mijn held. Ergens diep onder mijn verdriet wordt plaats gemaakt voor een heel klein beetje vreugde, maar hoe klein ook, dat kleine beetje vreugde is sterk genoeg om een hele verandering teweeg te brengen. Het weet voor een intense overlevingsdrang te zorgen. En ondanks mijn diepgewortelde verdriet ben ik vastbesloten; wij geven niet op. Nooit.

Wanneer de ene demon plaats maakt voor de andere lijkt alle hoop op menselijkheid vervlogen.

#KijkNietWeg #PrayForAleppo #WhereIsTheLove

Joepie, wintertijd 😐

de-wintertijd1

Het is weer zover; de wintertijd gaat in. He-le-maal geweldig toen je jong was, maar een kleine ramp nu je kinderen hebt. Heb je ze eindelijk gedrild tot 6.30 uur ‘uit’ te slapen, sta je vanaf morgenochtend weer met wallen tot je knieën om 5.30 uur naast je bed. Niet. Leuk.

Maar is er dan echt helemaal niets dat je kunt doen om je nachtrust een beetje te redden? Jawel, natuurlijk zijn er wel wat tips:

Tip 1.
Gooi je kind ’s middags een half uur later in bed. Zo wordt hij volgens het boekje een half uur later wakker en kun je hem een half uur langer wakker houden, zodat hij ’s avonds een uur later naar bed kan – snap je ‘em nog. Uiteraard slaapt hij dan ’s morgens dat hele uur langer en voila, je hebt je uur direct terug gewonnen.

Tip 2.
Koop een ochtendlichtje en leer hem dat hij pas mag roepen als het lampje brandt. Natuurlijk brandt het lampje elke ochtend een kwartier later en omdat hij zo braaf is werkt hij direct mee. Als je wil kun je er zelfs nog een uur extra bij plakken, tel uit je winst!

Tip 3.
Zorg dat de kamer goed donker is. Best zijn natuurlijk verduisterende (rol-) gordijnen, maar een mooie poster op het raam kan ook een tijdelijke oplossing zijn – posters uit papa’s boekjes zijn dan weer niét geschikt. Zo wordt hij in ieder geval niet wakker van de zon die nog niet meedoet met de wintertijd en nog eerder om het hoekje piept.

Natuurlijk helpen bovenstaande tips alleen bij voorbeeldige kinderen. Als je net als ik een stel draken van ridderlijk niveau hebt zul je gewoon een extra wijntje moeten drinken ’s avonds en zelf een uur eerder je bed in moeten rollen/vallen/kruipen/.. Whatever.

Extra tip: Vul je koffiezetapparaat ’s avonds vast met de sterkste koffie die je hebt, leg wat zoet(houdertjes) klaar voor je monsters, zet de DVD/tv/Netflix al klaar en zorg voor een overlevingspakket met koffie, koffie, een fles wijn, een familiepak pure chocolade (voor jezelf) en make up – heel veel make up.

 

Vet cool mam

Gehaakt rond tafelkleed, brocante _ Verkocht _ Van ons voor jou

Twee jaar geleden had ik ze van mijn schoonmoeder gekregen en al even lang lagen ze ‘verstopt’ onder de fruitschaal die net ietsje groter was. Ik heb het over die bijna weer hippe, verschrikkelijke gehaakte kleedjes. Voor onder bloempotten of in mijn geval de te grote fruitschaal.

Na twee jaar vond ik het welletjes. Nu kon ik ze zonder schuldgevoel in de vuilnisbak smijten. Weg ermee. Opgelucht stouw ik ze bovenop in de volle vuilniszak en ga op zoek naar zo’n verrekte zakkenbinder. Terwijl ik met mijn neus in een keukenkastje hang komt mijn vierjarige kleuter de keuken binnen lopen.

‘Wow mam, kijk eens wat ik in de prullenbak vond?’ Even hoop ik dat hij die halve lineaal bedoelt die ik even daarvoor onder de bank vandaan had gevist, maar helaas. Met glunderende oogjes houdt hij die verdomde kleedjes voor zich in de lucht. ‘Spiderman-webjes, vet cool!’

Dus de vet coole spiderman-webjes liggen tegenwoordig niet meer uit het zicht onder de grote fruitschaal, nee, ze liggen te pronken op de salontafel. Zucht..

Cultuur: hij was mijn vader

Criminalising forced marriage in the UK_ why it will not help women ___

Met opgeheven hoofd loop ik de kitcherig versierde zaal binnen. Zodra ze mij zien wordt het stil, iedereen stopt met eten en kijkt naar mij, maar ik loop door. Nu is het moment.

April 2002.

Vanuit mijn eenpersoonsbed hoor ik ze beneden praten, mijn vader en mijn broer. De woorden waar ik zo bang voor was, bang voor ben, klinken uit mijn vaders mond; ‘Het is rond’.

De tranen die ik de afgelopen weken angstvallig heb binnengehouden komen nu als een stortvloed naar buiten, het is rond. Binnenkort woon ik niet meer thuis en kan ik niet meer naar school. Binnenkort zal ik een getrouwde vrouw zijn. Meisje eigenlijk, want ik moet nog achttien worden. Ondanks mijn protesten en geschreeuw heeft hij doorgezet, ik zal trouwen met neef Omar en daarna bij hem en zijn moeder gaan wonen, ver van hier. Mijn vriendinnen zal ik niet meer zien. Ik denk aan Roza, mijn lieve kleine zusje. Wat zal ik haar missen, mijn kleine roosje. Ik hoop dat haar over veertien jaar niet hetzelfde lot te wachten staat. Plechtig beloof ik mezelf dat ik alles zal doen om dat te voorkomen. Alles.

Ik hoor een klik. Mijn broer is op aandringen van mijn vader naar boven gekomen en heeft de deur van mijn meisjeskamer op slot gedraaid. Ik laat me op mijn bed vallen, druk mijn gezicht in mijn kussen en huil. Ik huil tot mijn kussen nat is van mijn tranen. Ik huil tot mijn tranen op zijn en dan val ik snikkend in slaap.

Ik schrik wakker van een nare droom en zie op mijn wekker dat het twee uur is. Vlug pak ik mijn schooltas en haal zachtjes al mijn boeken eruit, dan vul ik hem met twee broeken, drie shirts, drie onderbroeken en een bh. Mijn hart gaat tekeer van angst, maar dit is mijn enige alternatief. Geluidloos open ik mijn raam en stap met blote voeten op het platte dak van de keuken. Met beide handen grijp ik de dakgoot vast en laat me voorzichtig tussen de struiken in de voortuin vallen. Ik gris mijn schoenen van de deurmat en dan ren ik de nacht in.

Maart 2016.

Van een oude buurvrouw hoor ik het nieuws. Het nieuws waar ik al veertien jaar bang voor ben, Roza gaat trouwen. Eigenlijk wil ze niet, maar ik moet beloven dat ik tegen niemand zal zeggen dat ik dat van haar heb gehoord.

Vandaag is het verlovingsfeest, in de trouwzaal achter het station. Ik stuur mijn baas een mailtje dat ik morgen niet zal komen werken, stuur mijn vriendin een sms en trek vlug mijn jas en schoenen aan, dan stap ik in mijn nieuwe Mercedes. Veel te snel rijd ik naar de zaal, mijn auto parkeer ik vlakbij de ingang. Mijn hart gaat tekeer, niet van angst deze keer, maar van woede. Woede voor de man die mijn vertrouwen schond toen ik een kwetsbaar en onzeker meisje was, die mijn leven overhoop haalde op het moment dat ik juist stabiliteit nodig had. Woede voor mijn vader, mijn vader die al veertien jaar mijn vader niet meer is.

Ik kijk om me heen, maar op enkele rokende mannen na is er niemand buiten. Zelfverzekerd stap ik de zaal binnen. Ik zie mensen fluisteren, ik weet wat ze zeggen, maar het kan me niets schelen. Ik loop door totdat ik voorin de zaal sta. Mijn vader draait zich om. Als hij mij ziet schrikt hij, dit had hij niet verwacht. Ik kijk langs hem heen, naar de mooie bruid die op de versierde troon zit, Roza. Ze is beeldschoon. Haar haar is opgestoken, ze draagt een prachtige witte jurk en ze is fantastisch opgemaakt. Ze lijkt wel een prinses uit een sprookje, maar ik weet beter. Ik ken haar verdriet, haar angst. Ik weet dat er achter dat masker een gebroken meisje zit. Ik weet het, want ooit was ik haar.

Ik hoor mijn vader tegen me schreeuwen waar ik het lef vandaan haal om hier te komen, om hem zo voor schut te zetten, hoe kan ik, nadat ik veertien jaar geleden zijn eer ten schande heb gemaakt.
Zonder hem aan te kijken roep ik terug. De woorden spuwen uit mijn mond; ‘Welke eer? De eer die je verloren bent toen je mij tegen mijn zin wilde uithuwelijken, of de eer die je verloor toen je bij Roza dezelfde fout maakte?’

Op dat moment voel ik een warme straal langs mijn slaap naar beneden lopen. Ik steek mijn hand uit en voel eraan. Als ik mijn hand terugtrek zie ik dat het bloed is, veel bloed. Mijn shirt kleurt langzaam rood en druppels vallen op de grond. Ik draai me om en zie hem staan, mijn vader. In zijn hand houdt hij het kleine zilveren pistool vast, het pistool dat ik herken van vroeger, het pistool dat altijd onder de bank verstopt lag om ons te beschermen als dat nodig zou zijn. De ironie.

Terwijl ik langzaam door mijn benen zak zie ik dat Roza in alle commotie ongezien de deur uitglipt. Ik weet dat ze buiten wordt opgevangen door mijn vriendin. De vriendin die veertien jaar geleden voor mij klaarstond, die mij onderdak bood, mij beschermde en voor mij zorgde als een moeder. Ik weet dat ze deze keer hetzelfde zal doen voor Roza, mijn kleine roosje. Een intens gevoel van geluk omarmt mij, ik heb mijn belofte waargemaakt, Roza is vrij.

Mijn stem tegen onderdrukking op welke manier dan ook.
Voor hen die dit hebben doorstaan of zullen doorstaan. Voor hen die hun stem kwijt zijn.

Op de vlucht: van angst tot realiteit

Fertility Information- MARA Acupuncture _ Dublin _ Clane _ Dunboyne

Ik wikkel hem in een warme deken en bind hem op mijn rug. Een traan ontsnapt, maar ik moet dit doen, voor hem. Hij is met zijn één jaar veel te klein om dit leven vol verschrikkingen te leiden en uiteindelijk veel te vroeg te sterven. Ik bijt op mijn lip en verman me. Nog een laatste keer kijk ik om en dan verdwijnen we in het donker van de nacht. Via de beschutting van de huizen loop ik vlug het dorp uit. Ik weet dat de tocht zwaar zal zijn, maar ik moet het proberen.

In de verte hoor ik schoten. Er klinkt een luide explosie. Ik kijk om en zie een oranje gloed waaruit een enorme rookpluim omhoog stijgt. Een beeld dat ik de laatste weken steeds vaker zag, maar nog altijd even beangstigend vind.

Ik loop verder en probeer de beelden van dode lichamen op straat te verbannen, maar ik krijg de nare aanblik niet van mijn netvlies. Ik knijp zachtjes in zijn voetje. Gelukkig is hij nog te klein om zich later deze ellende te herinneren.

We komen bij de grens. Ik zie een wachtpost. Bewakers lopen heen en weer. Ondanks mijn voorbereidingen begint mijn hart sneller te slaan. Ik weet dat ik een stukje verder moet kruipen om daar ongezien de grens over te steken, maar ik ben bang om voor die tijd ontdekt te worden. Ik hoop dat hij zich stil zal houden. Ik zak op de grond en op handen en knieen kruip ik verder. Als ik een licht mijn kant op zie schijnen druk ik mij plat tegen de vochtige grond onder mij en blijf bewegingloos liggen tot het weer verdwijnt. Zo snel als ik kan kruip ik door. Eenmaal aangekomen op de juiste plaats steek ik opgelucht de grens over. Het eerste deel van de reis is goed gegaan, maar ik weet dat dit slechts het begin is.

Voor mij zie ik een groepje, het is duidelijk dat zij ook op de vlucht zijn en ik besluit mij bij hen aan te sluiten. Ik voel dat hij langzaam wakker wordt en geef hem het enige beetje melk dat ik heb kunnen meenemen. Hij neemt er genoegen mee, in ieder geval voor even.

Langzaam stappen we verder. Elke stap lijkt moeilijker en pijnlijker te zijn dan de vorige, maar zolang ik pijn voel weet ik dat ik leef, het stelt me op een vreemde manier gerust. We komen bij het water. Voor veel geld, al ons geld, mogen we mee met de boot. Ik ben opgewonden, nog even en we kunnen rusten, nog even en de verschrikkingen zijn voorbij. Als we afdalen naar de boot schrik ik. De boot blijkt een kleine vlotachtige boot te zijn, volgeladen met veel te veel mensen. Ik vraag mij af of dit een goed idee is, maar ik weet dat dit het enige idee is. De enige mogelijkheid om mijn zoon een kans op een mooie, veilige toekomst te bieden, dus trek ik onze zwemvesten aan en stap in de boot.

De boot wiegt en wiebelt vervaarlijk op de golven. Met de steeds hoger wordende golven springt de boot steeds een stukje hoger. Het is beangstigend en de kinderen om mij heen beginnen te gillen. Iedereen is bang. Ik klem hem stevig tegen me aan en huil. De golven worden hoger en hoger en de boot loopt vol met water. In paniek kruipt iedereen opzij, weg van het water. Een volgende golf breekt tegen de boot en laat hem op de zijkant balanceren. Ik knijp mijn ogen dicht, ben mij ervan bewust wat komen gaat. Een laatste golf volgt en duwt de boot omver.

Het water is koud en iedereen spartelt wild om zich heen. Sommigen kunnen zwemmen, anderen niet. Degenen zonder zwemvest klemmen zich angstvallig vast aan de zinkende boot. Ik besluit wat afstand te nemen, de kans op verdrinking lijkt mij groter naast alle panikerende medevluchtelingen. Na een paar meter voel ik dat onze reddingsvesten zwaar worden, ze zuigen zich vol met water. Ik vloek. Zo vlug mogelijk gesp ik de vesten los en wurm ons eruit. In plaats van ons te helpen drijven, zijn ze vanwege hun gewicht een extra gevaar geworden.

Ik kijk naar het vertrokken gezichtje van mijn zoon. Ik houd hem stevig vast en plant een kus op zijn natte, koude voorhoofd. Met moeite opent hij zijn oogjes en ik zie zijn angst. Ik kus zijn ogen en probeer een liedje te neurien om hem gerust te stellen. Woest trappel ik met mijn benen om ons boven water te houden, maar ik merk dat we steeds dieper het water in zakken. Ik kijk om me heen, maar zie niets anders dan water. Voor ons, naast ons en achter ons glinstert de zee. We zijn afgedreven, ik zie niemand meer.

Ik trappel steeds langzamer en net als ik het wil opgeven zie ik in de verte een boot. Hij vaart onze richting uit. Met mijn ene hand houd ik mijn zoon vast, terwijl ik met mijn andere zo wild mogelijk zwaai. Het lijkt een eeuwigheid te duren, maar dan zien ze ons. We worden de boot ingetrokken. Een gevoel van opluchting overvalt me. We hebben het gehaald. Ik kus hem weer, maar deze keer doet hij zijn ogen niet open. Ik streel zijn wang, maar hij geeft geen reactie. Ik schud hem heen en weer. Eerst zachtjes, maar steeds harder. Iemand haalt hem voorzichtig uit mijn armen en legt hem op de vloer. Ik zie hem voorzichtig op zijn kleine borstkas drukken, maar er verandert niets. Hij blijft levenloos liggen. Ik schreeuw en ik huil. Met mijn vuist sla ik tegen de houten planken voor mij. Ik bloed, maar ik voel het niet, ik zie het niet. Ik zie alleen zijn bewegingloze magere lichaampje op de vloer van de oude vissersboot.

Ik zak op de vloer en sluit mijn ogen. Ik klem hem in mijn armen en even hoop ik dat dit slechts een nare droom is, maar zodra ik hem kus en het zout van de zee proef, weet ik dat dit niets anders is dan de kille realiteit.

Ik deed het voor hem. Ik dacht dat ik hem hielp, hem behoedde voor een veel te jonge dood, verloste van alle weerzinwekkende gebeurtenissen in zijn korte bestaan, maar ik heb gefaald.

Ik heb het gehaald, maar mijn zoon, het allerbelangrijkste in mijn leven, ben ik kwijt.

Iedere vluchteling heeft een verhaal. Een verhaal waarvan wij blij mogen zijn dat we dat nooit zullen meemaken. Een verhaal waarvan wij nooit de impact zullen voelen. Simpelweg omdat ons wiegje op de juiste plek stond.

Jongensmoeders: wees hierop voorbereid…

oh, hopscotch!_ it's official_ baby nugget is a boy!

Als mama van een knul kun je er niet omheen: de piemel. Vanaf dag één is deze slurf een prominente aanwezige in jouw en je baby’s leven.

Het begint bij de eerste verschoonbeurt. Ineens gaat dat slangetje omhoog. Je weet niet waar je moet kijken, maar dan word je plots verrast door een perfecte boog pies richting het mooie nieuwe Winnie the Pooh behang. Het duurt even, maar dan weet je hoe je die sproeier in bedwang kunt houden. Met een koud, vochtig billendoekje bijvoorbeeld.

Een jaar later ziet hij hem ook, zijn anaconda. Lees verder op WIJ à la Mama

Dit is waarom je pas na een week kraamvisite moet ontvangen…

WP_20150705_089

Na een jaar proberen, negen maanden zwangeren, uren weeën opvangen en minuten persen is het moment daar: je gaat je langverwachte wondertje ontmoeten. Terwijl jij uitgeput en besmeurd met bloed en poep a-sexy met je benen wijd op de behandeltafel ligt te wachten tot je weer fatsoenlijk (althans, dat hoop je) van onder wordt dichtgenaaid, wordt er een krijsende gremlin op je borst gelegd.

Je bekijkt zijn met rood/witte smurrie beplakte haartjes, het zijn de mooiste haartjes die je ooit hebt gezien. Je streelt de rimpels en vouwen in zijn gezichtje, het zijn de schattigste rimpels ter wereld. Je kijkt in zijn blauwgrijze schele oogjes, de wonderbaarlijkste oogjes ooit. Je zwijmelt weg, hij is gewoon perfect, de aller-allermooiste baby ter wereld, dat ziet iedereen. Toch?

Lees verder op WIJ à la Mama

 

Vlug naar huis

een friettent in tilburg friet zo heeft een tijdje terug het nieuws ___

Ik voel de bui al hangen, dus haal ik gauw zijn bakje friet uit de grote witte zak. Vlug trek ik een klein wit zakje van de rails, stop zijn bakje erin en geef het hem. Trots pakt hij zijn eigen zakje aan en dan zijn we klaar om naar huis te lopen. Mijn maag rammelt, ik hoop dat hij niet treuzelt.

Het is heerlijk lenteweer, de zon schijnt en de vogels fluiten. Voor even houdt hij braaf mijn hand vast, maar dan vindt hij het genoeg en trekt hij zich los. Hij loopt naar het grasveldje en bij de aanblik van de vele paardenbloemen vliegen de ‘ooooohhh’s’ en de ‘aaaah’s’ me om mijn oren. Hij is onder de indruk van al het moois dat hij ziet en stapt van paardenbloem naar paardenbloem, om bij de laatste neer te hurken en de blaadjes, nadat hij ze een voor een heeft uitgetrokken, aandachtig te bestuderen. Na vijf minuten vind ik het genoeg, dus pluk ik een paardenbloem en zeg dat hij die mee mag nemen naar huis. Hij knelt de bloem stevig in zijn knuistje en zo kunnen we weer op pad.

Na vijf stappen ziet hij een miertje lopen over de grijze tegels. Hij stopt en kijkt gefascineerd hoe dat bijzondere beestje een klein blaadje probeert mee te trekken. Hoe vaak ik ook roep, hij hoort me niet. Hij zit in zijn eigen wereldje, samen met mister Mier.

Als ik zijn hand probeer te pakken heft hij zijn hoofd op en kijkt me boos aan, ik heb zijn vredige moment verstoord. Gelukkig ziet hij iets dat hem afleidt. Achter mij zit een kraai op een bankje. Enthousiast loopt hij er met uitgestrekte armpjes naartoe, maar zodra hij te dichtbij komt vliegt de kraai er vandoor. Verdrietig volgt hij hem met zijn ogen en roept ‘kom kom’, maar de zwarte vogel komt niet terug.

Als er een meisje met een hondje langsloopt is de kraai verleden tijd. Blij rent hij naar ze toe, luid ‘miauw miauw’ roepend. Dat een hond en een kat twee verschillende dieren zijn lijkt niet tot hem door te dringen, en wat geeft het ook, je kunt ze allebei aaien.

Langzaam loop ik verder. Ik roep hem, hij kijkt op, maar volgt me niet. Om hem in de gaten te blijven houden loop ik achteruit verder, fout! Vrijwel direct beweegt zijn kleine lijfje de andere kant op en probeert hij ook achteruit te lopen, in tegengestelde richting. Ik ren naar hem toe en onder luid protest til ik hem op en snelwandel ik met hem en de twee witte zakjes met eten zo snel als ik kan richting onze rijtjeswoning.

Na twintig meter weet hij zich los te wurmen en als een klein michelinmannetje rent hij voor me uit, in de juiste richting deze keer. Hij heeft ons huis ontdekt en wil er als eerste zijn, zodat hij kan klepperen met de brievenbus om de kaboutertjes te laten weten dat we thuis zijn.

Ik haal de inmiddels kleurloze sleutel uit de jaszak van mijn zwarte jasje en draai de deur open. Met zijn kleine lijf probeert hij me opzij te duwen en stapt als eerste het huis binnen. Gelijk loopt hij naar de tafel, kwakt zoals altijd het blauwgehokte stoelkussentje op de grond en neemt samen met zijn witte zakje en zijn paardenbloem plaats.

Ik pak bordjes en bekers, flessen mayonaise en curry en een kan water, dan ga ik bij hem zitten. De friet verdeel ik over de bordjes en dan kunnen we eindelijk gaan eten. Handen wassen ‘vergeten’ we voor deze keer, nu maar hopen dat er geen hondje over de geplukte paardenbloemen heeft geplast.. Smakelijk!

 

Onhoudbaar

Langzaam word ik wakker. Ik probeer op de klok aan de muur voor mij te zien hoe laat het is, maar ik kan het niet ontcijferen. Ik steek mijn rechterhand uit en op de tast pak ik mijn bril van het nachtkastje naast mij. Met trillende vingers zet ik de bril op mijn neus en zie dat het vijf voor zeven is, nog ongeveer een uur en vijf minuten tot Roos komt. Roos is een van de verzorgsters in het verpleegtehuis waar ik woon en ik weet dat ze vandaag dienst heeft. Als ze komt is ze altijd heel lief en ondanks haar veel te drukke schema maakt ze zelfs weleens tijd voor een kort praatje, ze is mijn favoriete verzorgster.

Ik blijf in bed liggen, want alleen opstaan kan ik al maanden niet meer. Zoals altijd vul ik de tijd met het denken aan vroeger. Vroeger, toen mijn man en mijn vrienden nog leefden, ik een rijk gevuld sociaal leven had en ik alles nog kon. Toen ik nog kon rennen en spelen met mijn kleinkinderen, toen mijn ogen nog prima waren en mijn handen niet beefden zodat ik mooie sjaals kon breien voor iedereen die ik lief had, toen ik nog zonder hulp naar het toilet kon en onder de douche. Ik probeer me mijn laatste douchebeurt voor de geest te halen, de warmte van de stralen over mijn oude gerimpelde huid en het schone gevoel daarna, maar ik kan het me niet meer herinneren.

Ik sluit mijn ogen en probeer nog een beetje te slapen, maar mijn volle blaas en rommelende darmen maken het onmogelijk om me over te geven aan mijn altijd aanwezige vermoeidheid en dus wacht ik.
Ik wacht op Roos, het lichtpuntje van mijn dag. Ik hoop dat ze tijd heeft voor een praatje, ik kan het vandaag extra goed gebruiken. Vandaag is het precies een jaar geleden dat Bert stierf. Bert en ik waren vijfenvijftig jaar getrouwd en ik mis hem nog elke dag. Morgen komen Riet en Frans, mijn kinderen, en zullen ze me meenemen naar zijn graf, maar vandaag ben ik alleen, vandaag hadden ze geen tijd.

Ik werp nog een blik op de klok, twintig over zeven is het inmiddels en mijn buik gaat steeds harder tekeer. Een gevoel van honger heeft zich gevoegd bij de aandrang die ik al voel sinds ik wakker ben, of misschien is het wel de reden dat ik wakker ben geworden. Veel medebewoners dragen om deze reden een luier, maar dat is iets dat ik echt niet wil, het zou me mijn laatste beetje waardigheid afnemen.

Ik probeer mijn gedachten te verzetten, anders hou ik het niet vol. Ik denk aan Jaden, mijn achterkleinkind. Ik moet even nadenken hoe ik het ook alweer moet uitspreken, maar mijn geheugen laat me in de steek en ik kom er niet meer op, ik twijfel zelfs of het wel Jaden is.

Een scherpe pijnscheut haalt me uit mijn gedachten, de aandrang is veranderd in heftige buikkrampen, maar ik zie dat ik nog twintig minuten moet wachten voor Roos er is om me op het toilet te helpen. Ik vervloek de ouderdom die ervoor zorgt dat ik dat zelf niet meer kan. Elke dag word ik een beetje ouder en is mijn gevecht een beetje moeilijker. Alles is veranderd en niets is meer vertrouwd, behalve Roos en de wekelijkse bezoekjes van mijn kinderen.

Ik kijk naar de klok, acht uur. De pijn verandert langzaam in een steeds extremer wordende vermoeidheid. Ik sluit mijn ogen weer en probeer toe te geven aan die vermoeidheid, als ik slaap merk ik niets van mijn eenzaamheid en voel ik geen pijn, als ik slaap voel ik geen gemis.
De deur gaat open, Roos komt binnen. Ze glimlacht vriendelijk en legt haar hand op de mijne. Ik open voor de laatste keer mijn ogen en glimlach naar haar. Dan voel ik dat mijn lichaam zich langzaam ontspant. De urine en ontlasting lopen mijn bed in, maar ik merk het niet meer. Terwijl Roos mijn hand vasthoudt sluit ik mijn ogen, om ze nooit meer open te doen. Het is goed zo, ik ben bevrijd.

Zorg voor de ouderen, zoals zij ooit voor jou zorgden.
Zorg voor een ander, zoals jij wil dat voor jou gezorgd wordt.

Over de schrijnende tekorten in de ouderenzorg en in welke zorg dan ook.