Twee kinderen, twee werelden.

1481884941752

Links is Miran. Miran is mijn zoon. Miran is twee jaar. Miran heeft een vader, een moeder, broertjes en zusjes. Miran heeft een huis, een bed en elke dag schone kleren. Miran heeft genoeg te eten en altijd schoon drinkwater. Miran heeft veel speelgoed en als hij vies is gaat hij lekker in bad. Miran gaat elke dag naar school en speelt daar met zijn vriendjes. Miran groeit op tussen de bloemen en de vogels. Miran wordt omringd door leven. Miran woont in België.

Rechts is Azad. Azad is vijf jaar. Azad heeft geen vader, moeder, broertjes of zusjes meer. Azad heeft geen huis, geen bed en geen schone kleren. Azad heeft niet genoeg te eten en geen schoon drinkwater. Azad heeft geen speelgoed en kan niet in bad. Azad kan niet naar school en heeft geen vriendjes meer. Azad groeit op tussen bommen en geweerschoten. Azad wordt omringd door de dood. Azad woont in Syrië.

Twee kinderen, twee werelden. Zo ver uiteen. Maar of hij nu in België, in Syrië, of eender welk land woont, elk kind verdient een leven als Miran. Een leven zonder dood en angst, zonder vluchten en pijn, maar met een familie en vriendjes, voedsel en water, kleding, een huis en een school. Help kinderen als Azad. Kijk niet weg vanuit je warme bed, maar sta op voor kinderen zoals Azad.

Doneer kleding, dekens, of geld, of laat je stem horen, want jij maakt het verschil.

#PrayForAleppo #SaveTheChildren #KijkNietWeg #WhereIsTheLove

Advertenties

Wanneer de ene demon plaats maakt voor de andere lijkt alle hoop op menselijkheid vervlogen

fb_img_1481819431933

Samen met mama zit ik aan tafel. Voor ons staat een bord met wat rijst en groente. Ik heb honger, het is de eerste en enige maaltijd van de dag. We willen net beginnen te eten als ineens alles in huis begint te schudden. Verschrikt kijkt mama me enkele seconden aan, maar dan duwt ze me in een ruwe beweging onder de tafel, en met haar lichaam over het mijne beschermt ze me tegen de vallende glazen, brekende ramen en instortende plafonds. Verlamd van angst lig ik onder haar, met mijn ogen strak dicht geknepen wacht ik op wat komen gaat. Ik durf niet te kijken en niks te zeggen, ik lig daar, te wachten tot het voorbij is.

Als ik niks meer voel of hoor roep ik haar. Eerst zacht, maar steeds harder. Er komt geen reactie. Ik open mijn ogen, maar ik zie niks. Het is donker. Voorzichtig steek ik mijn hand uit naar haar gezicht. Ik voel dat haar ogen en mond open zijn en dat haar haar nat en plakkerig is. Ik probeer me onder haar uit te wurmen, maar het gaat niet. Ik lig klem. Om mij heen voel ik stenen en balken. Ik kan me niet bewegen en blijf stil liggen. Het enige geluid dat ik hoor is die van mijn eigen ademhaling. Ik probeer rustig te ademen, maar raak langzaam in paniek. De ruimte waarin ik mij bevind is klein en al het stof bemoeilijkt het ademhalen.

En dan voel ik het weer. Het lijkt alsof de aarde openbarst en alles om mij heen meeneemt in haar gevecht. Even snel als het begon is het ook weer geëindigd en ik wacht. Zachtjes huil ik. Het voelt alsof er uren zijn verstreken als ik plotseling een stem hoor ergens boven me. Met mijn laatste kracht probeer ik zo hard als ik kan te roepen en dan zak ik weg in een donkere leegte.

Als ik mijn ogen open lig ik op een matras. Het duurt een tijd voor het tot me doordringt waar ik ben. Er komt een vrouw bij me staan. Ze neemt mijn gezicht in haar handen en met tranen in haar ogen vertelt ze me wat er is gebeurd.

De stad is gebombardeerd, voor de zoveelste keer sinds het leger de stad probeert over te nemen. Huizen zijn ingestort en verdwenen, mensen zijn gestorven onder het puin en vermist in de chaos, en het weinige water en voedsel dat we hadden is geslonken tot een minimum. Ze vertelt ook dat ze mijn moeder hebben gevonden. Ze heeft mijn leven gered, maar heeft het zelf niet gehaald. Verscheurd van verdriet schreeuw ik het uit. Mijn leven is compleet ingestort. Ik heb geen moeder meer, geen huis, en al tijden geen school. Bijna al mijn vrienden en hun families zijn vermoord of gevlucht voor de executies en verkrachtingen van eerst IS en nu het regeringsleger, en mijn vader heb ik al dagen niet gezien. Ik ben alleen op deze verwoestende plek en heb niks, alleen de vieze gescheurde kleren die ik aan heb. Ik kijk om me heen en bij de aanblik van de vele ingestorte gebouwen welt zich een grote snik op in mijn keel gevolgd door een harde schreeuw. Ik wou dat ik bij mama was, ver van hier. Hier dat niks meer is dan een ravage vol dood en verderf.

Maar dan zie ik hem. Hinkend komt hij mijn richting uit gestrompeld; mijn vader, mijn held. Ergens diep onder mijn verdriet wordt plaats gemaakt voor een heel klein beetje vreugde, maar hoe klein ook, dat kleine beetje vreugde is sterk genoeg om een hele verandering teweeg te brengen. Het weet voor een intense overlevingsdrang te zorgen. En ondanks mijn diepgewortelde verdriet ben ik vastbesloten; wij geven niet op. Nooit.

Wanneer de ene demon plaats maakt voor de andere lijkt alle hoop op menselijkheid vervlogen.

#KijkNietWeg #PrayForAleppo #WhereIsTheLove

Joepie, wintertijd 😐

de-wintertijd1

Het is weer zover; de wintertijd gaat in. He-le-maal geweldig toen je jong was, maar een kleine ramp nu je kinderen hebt. Heb je ze eindelijk gedrild tot 6.30 uur ‘uit’ te slapen, sta je vanaf morgenochtend weer met wallen tot je knieën om 5.30 uur naast je bed. Niet. Leuk.

Maar is er dan echt helemaal niets dat je kunt doen om je nachtrust een beetje te redden? Jawel, natuurlijk zijn er wel wat tips:

Tip 1.
Gooi je kind ’s middags een half uur later in bed. Zo wordt hij volgens het boekje een half uur later wakker en kun je hem een half uur langer wakker houden, zodat hij ’s avonds een uur later naar bed kan – snap je ‘em nog. Uiteraard slaapt hij dan ’s morgens dat hele uur langer en voila, je hebt je uur direct terug gewonnen.

Tip 2.
Koop een ochtendlichtje en leer hem dat hij pas mag roepen als het lampje brandt. Natuurlijk brandt het lampje elke ochtend een kwartier later en omdat hij zo braaf is werkt hij direct mee. Als je wil kun je er zelfs nog een uur extra bij plakken, tel uit je winst!

Tip 3.
Zorg dat de kamer goed donker is. Best zijn natuurlijk verduisterende (rol-) gordijnen, maar een mooie poster op het raam kan ook een tijdelijke oplossing zijn – posters uit papa’s boekjes zijn dan weer niét geschikt. Zo wordt hij in ieder geval niet wakker van de zon die nog niet meedoet met de wintertijd en nog eerder om het hoekje piept.

Natuurlijk helpen bovenstaande tips alleen bij voorbeeldige kinderen. Als je net als ik een stel draken van ridderlijk niveau hebt zul je gewoon een extra wijntje moeten drinken ’s avonds en zelf een uur eerder je bed in moeten rollen/vallen/kruipen/.. Whatever.

Extra tip: Vul je koffiezetapparaat ’s avonds vast met de sterkste koffie die je hebt, leg wat zoet(houdertjes) klaar voor je monsters, zet de DVD/tv/Netflix al klaar en zorg voor een overlevingspakket met koffie, koffie, een fles wijn, een familiepak pure chocolade (voor jezelf) en make up – heel veel make up.

 

Cultuur: hij was mijn vader

Criminalising forced marriage in the UK_ why it will not help women ___

Met opgeheven hoofd loop ik de kitcherig versierde zaal binnen. Zodra ze mij zien wordt het stil, iedereen stopt met eten en kijkt naar mij, maar ik loop door. Nu is het moment.

April 2002.

Vanuit mijn eenpersoonsbed hoor ik ze beneden praten, mijn vader en mijn broer. De woorden waar ik zo bang voor was, bang voor ben, klinken uit mijn vaders mond; ‘Het is rond’.

De tranen die ik de afgelopen weken angstvallig heb binnengehouden komen nu als een stortvloed naar buiten, het is rond. Binnenkort woon ik niet meer thuis en kan ik niet meer naar school. Binnenkort zal ik een getrouwde vrouw zijn. Meisje eigenlijk, want ik moet nog achttien worden. Ondanks mijn protesten en geschreeuw heeft hij doorgezet, ik zal trouwen met neef Omar en daarna bij hem en zijn moeder gaan wonen, ver van hier. Mijn vriendinnen zal ik niet meer zien. Ik denk aan Roza, mijn lieve kleine zusje. Wat zal ik haar missen, mijn kleine roosje. Ik hoop dat haar over veertien jaar niet hetzelfde lot te wachten staat. Plechtig beloof ik mezelf dat ik alles zal doen om dat te voorkomen. Alles.

Ik hoor een klik. Mijn broer is op aandringen van mijn vader naar boven gekomen en heeft de deur van mijn meisjeskamer op slot gedraaid. Ik laat me op mijn bed vallen, druk mijn gezicht in mijn kussen en huil. Ik huil tot mijn kussen nat is van mijn tranen. Ik huil tot mijn tranen op zijn en dan val ik snikkend in slaap.

Ik schrik wakker van een nare droom en zie op mijn wekker dat het twee uur is. Vlug pak ik mijn schooltas en haal zachtjes al mijn boeken eruit, dan vul ik hem met twee broeken, drie shirts, drie onderbroeken en een bh. Mijn hart gaat tekeer van angst, maar dit is mijn enige alternatief. Geluidloos open ik mijn raam en stap met blote voeten op het platte dak van de keuken. Met beide handen grijp ik de dakgoot vast en laat me voorzichtig tussen de struiken in de voortuin vallen. Ik gris mijn schoenen van de deurmat en dan ren ik de nacht in.

Maart 2016.

Van een oude buurvrouw hoor ik het nieuws. Het nieuws waar ik al veertien jaar bang voor ben, Roza gaat trouwen. Eigenlijk wil ze niet, maar ik moet beloven dat ik tegen niemand zal zeggen dat ik dat van haar heb gehoord.

Vandaag is het verlovingsfeest, in de trouwzaal achter het station. Ik stuur mijn baas een mailtje dat ik morgen niet zal komen werken, stuur mijn vriendin een sms en trek vlug mijn jas en schoenen aan, dan stap ik in mijn nieuwe Mercedes. Veel te snel rijd ik naar de zaal, mijn auto parkeer ik vlakbij de ingang. Mijn hart gaat tekeer, niet van angst deze keer, maar van woede. Woede voor de man die mijn vertrouwen schond toen ik een kwetsbaar en onzeker meisje was, die mijn leven overhoop haalde op het moment dat ik juist stabiliteit nodig had. Woede voor mijn vader, mijn vader die al veertien jaar mijn vader niet meer is.

Ik kijk om me heen, maar op enkele rokende mannen na is er niemand buiten. Zelfverzekerd stap ik de zaal binnen. Ik zie mensen fluisteren, ik weet wat ze zeggen, maar het kan me niets schelen. Ik loop door totdat ik voorin de zaal sta. Mijn vader draait zich om. Als hij mij ziet schrikt hij, dit had hij niet verwacht. Ik kijk langs hem heen, naar de mooie bruid die op de versierde troon zit, Roza. Ze is beeldschoon. Haar haar is opgestoken, ze draagt een prachtige witte jurk en ze is fantastisch opgemaakt. Ze lijkt wel een prinses uit een sprookje, maar ik weet beter. Ik ken haar verdriet, haar angst. Ik weet dat er achter dat masker een gebroken meisje zit. Ik weet het, want ooit was ik haar.

Ik hoor mijn vader tegen me schreeuwen waar ik het lef vandaan haal om hier te komen, om hem zo voor schut te zetten, hoe kan ik, nadat ik veertien jaar geleden zijn eer ten schande heb gemaakt.
Zonder hem aan te kijken roep ik terug. De woorden spuwen uit mijn mond; ‘Welke eer? De eer die je verloren bent toen je mij tegen mijn zin wilde uithuwelijken, of de eer die je verloor toen je bij Roza dezelfde fout maakte?’

Op dat moment voel ik een warme straal langs mijn slaap naar beneden lopen. Ik steek mijn hand uit en voel eraan. Als ik mijn hand terugtrek zie ik dat het bloed is, veel bloed. Mijn shirt kleurt langzaam rood en druppels vallen op de grond. Ik draai me om en zie hem staan, mijn vader. In zijn hand houdt hij het kleine zilveren pistool vast, het pistool dat ik herken van vroeger, het pistool dat altijd onder de bank verstopt lag om ons te beschermen als dat nodig zou zijn. De ironie.

Terwijl ik langzaam door mijn benen zak zie ik dat Roza in alle commotie ongezien de deur uitglipt. Ik weet dat ze buiten wordt opgevangen door mijn vriendin. De vriendin die veertien jaar geleden voor mij klaarstond, die mij onderdak bood, mij beschermde en voor mij zorgde als een moeder. Ik weet dat ze deze keer hetzelfde zal doen voor Roza, mijn kleine roosje. Een intens gevoel van geluk omarmt mij, ik heb mijn belofte waargemaakt, Roza is vrij.

Mijn stem tegen onderdrukking op welke manier dan ook.
Voor hen die dit hebben doorstaan of zullen doorstaan. Voor hen die hun stem kwijt zijn.

Op de vlucht: van angst tot realiteit

Fertility Information- MARA Acupuncture _ Dublin _ Clane _ Dunboyne

Ik wikkel hem in een warme deken en bind hem op mijn rug. Een traan ontsnapt, maar ik moet dit doen, voor hem. Hij is met zijn één jaar veel te klein om dit leven vol verschrikkingen te leiden en uiteindelijk veel te vroeg te sterven. Ik bijt op mijn lip en verman me. Nog een laatste keer kijk ik om en dan verdwijnen we in het donker van de nacht. Via de beschutting van de huizen loop ik vlug het dorp uit. Ik weet dat de tocht zwaar zal zijn, maar ik moet het proberen.

In de verte hoor ik schoten. Er klinkt een luide explosie. Ik kijk om en zie een oranje gloed waaruit een enorme rookpluim omhoog stijgt. Een beeld dat ik de laatste weken steeds vaker zag, maar nog altijd even beangstigend vind.

Ik loop verder en probeer de beelden van dode lichamen op straat te verbannen, maar ik krijg de nare aanblik niet van mijn netvlies. Ik knijp zachtjes in zijn voetje. Gelukkig is hij nog te klein om zich later deze ellende te herinneren.

We komen bij de grens. Ik zie een wachtpost. Bewakers lopen heen en weer. Ondanks mijn voorbereidingen begint mijn hart sneller te slaan. Ik weet dat ik een stukje verder moet kruipen om daar ongezien de grens over te steken, maar ik ben bang om voor die tijd ontdekt te worden. Ik hoop dat hij zich stil zal houden. Ik zak op de grond en op handen en knieen kruip ik verder. Als ik een licht mijn kant op zie schijnen druk ik mij plat tegen de vochtige grond onder mij en blijf bewegingloos liggen tot het weer verdwijnt. Zo snel als ik kan kruip ik door. Eenmaal aangekomen op de juiste plaats steek ik opgelucht de grens over. Het eerste deel van de reis is goed gegaan, maar ik weet dat dit slechts het begin is.

Voor mij zie ik een groepje, het is duidelijk dat zij ook op de vlucht zijn en ik besluit mij bij hen aan te sluiten. Ik voel dat hij langzaam wakker wordt en geef hem het enige beetje melk dat ik heb kunnen meenemen. Hij neemt er genoegen mee, in ieder geval voor even.

Langzaam stappen we verder. Elke stap lijkt moeilijker en pijnlijker te zijn dan de vorige, maar zolang ik pijn voel weet ik dat ik leef, het stelt me op een vreemde manier gerust. We komen bij het water. Voor veel geld, al ons geld, mogen we mee met de boot. Ik ben opgewonden, nog even en we kunnen rusten, nog even en de verschrikkingen zijn voorbij. Als we afdalen naar de boot schrik ik. De boot blijkt een kleine vlotachtige boot te zijn, volgeladen met veel te veel mensen. Ik vraag mij af of dit een goed idee is, maar ik weet dat dit het enige idee is. De enige mogelijkheid om mijn zoon een kans op een mooie, veilige toekomst te bieden, dus trek ik onze zwemvesten aan en stap in de boot.

De boot wiegt en wiebelt vervaarlijk op de golven. Met de steeds hoger wordende golven springt de boot steeds een stukje hoger. Het is beangstigend en de kinderen om mij heen beginnen te gillen. Iedereen is bang. Ik klem hem stevig tegen me aan en huil. De golven worden hoger en hoger en de boot loopt vol met water. In paniek kruipt iedereen opzij, weg van het water. Een volgende golf breekt tegen de boot en laat hem op de zijkant balanceren. Ik knijp mijn ogen dicht, ben mij ervan bewust wat komen gaat. Een laatste golf volgt en duwt de boot omver.

Het water is koud en iedereen spartelt wild om zich heen. Sommigen kunnen zwemmen, anderen niet. Degenen zonder zwemvest klemmen zich angstvallig vast aan de zinkende boot. Ik besluit wat afstand te nemen, de kans op verdrinking lijkt mij groter naast alle panikerende medevluchtelingen. Na een paar meter voel ik dat onze reddingsvesten zwaar worden, ze zuigen zich vol met water. Ik vloek. Zo vlug mogelijk gesp ik de vesten los en wurm ons eruit. In plaats van ons te helpen drijven, zijn ze vanwege hun gewicht een extra gevaar geworden.

Ik kijk naar het vertrokken gezichtje van mijn zoon. Ik houd hem stevig vast en plant een kus op zijn natte, koude voorhoofd. Met moeite opent hij zijn oogjes en ik zie zijn angst. Ik kus zijn ogen en probeer een liedje te neurien om hem gerust te stellen. Woest trappel ik met mijn benen om ons boven water te houden, maar ik merk dat we steeds dieper het water in zakken. Ik kijk om me heen, maar zie niets anders dan water. Voor ons, naast ons en achter ons glinstert de zee. We zijn afgedreven, ik zie niemand meer.

Ik trappel steeds langzamer en net als ik het wil opgeven zie ik in de verte een boot. Hij vaart onze richting uit. Met mijn ene hand houd ik mijn zoon vast, terwijl ik met mijn andere zo wild mogelijk zwaai. Het lijkt een eeuwigheid te duren, maar dan zien ze ons. We worden de boot ingetrokken. Een gevoel van opluchting overvalt me. We hebben het gehaald. Ik kus hem weer, maar deze keer doet hij zijn ogen niet open. Ik streel zijn wang, maar hij geeft geen reactie. Ik schud hem heen en weer. Eerst zachtjes, maar steeds harder. Iemand haalt hem voorzichtig uit mijn armen en legt hem op de vloer. Ik zie hem voorzichtig op zijn kleine borstkas drukken, maar er verandert niets. Hij blijft levenloos liggen. Ik schreeuw en ik huil. Met mijn vuist sla ik tegen de houten planken voor mij. Ik bloed, maar ik voel het niet, ik zie het niet. Ik zie alleen zijn bewegingloze magere lichaampje op de vloer van de oude vissersboot.

Ik zak op de vloer en sluit mijn ogen. Ik klem hem in mijn armen en even hoop ik dat dit slechts een nare droom is, maar zodra ik hem kus en het zout van de zee proef, weet ik dat dit niets anders is dan de kille realiteit.

Ik deed het voor hem. Ik dacht dat ik hem hielp, hem behoedde voor een veel te jonge dood, verloste van alle weerzinwekkende gebeurtenissen in zijn korte bestaan, maar ik heb gefaald.

Ik heb het gehaald, maar mijn zoon, het allerbelangrijkste in mijn leven, ben ik kwijt.

Iedere vluchteling heeft een verhaal. Een verhaal waarvan wij blij mogen zijn dat we dat nooit zullen meemaken. Een verhaal waarvan wij nooit de impact zullen voelen. Simpelweg omdat ons wiegje op de juiste plek stond.

Onhoudbaar

Langzaam word ik wakker. Ik probeer op de klok aan de muur voor mij te zien hoe laat het is, maar ik kan het niet ontcijferen. Ik steek mijn rechterhand uit en op de tast pak ik mijn bril van het nachtkastje naast mij. Met trillende vingers zet ik de bril op mijn neus en zie dat het vijf voor zeven is, nog ongeveer een uur en vijf minuten tot Roos komt. Roos is een van de verzorgsters in het verpleegtehuis waar ik woon en ik weet dat ze vandaag dienst heeft. Als ze komt is ze altijd heel lief en ondanks haar veel te drukke schema maakt ze zelfs weleens tijd voor een kort praatje, ze is mijn favoriete verzorgster.

Ik blijf in bed liggen, want alleen opstaan kan ik al maanden niet meer. Zoals altijd vul ik de tijd met het denken aan vroeger. Vroeger, toen mijn man en mijn vrienden nog leefden, ik een rijk gevuld sociaal leven had en ik alles nog kon. Toen ik nog kon rennen en spelen met mijn kleinkinderen, toen mijn ogen nog prima waren en mijn handen niet beefden zodat ik mooie sjaals kon breien voor iedereen die ik lief had, toen ik nog zonder hulp naar het toilet kon en onder de douche. Ik probeer me mijn laatste douchebeurt voor de geest te halen, de warmte van de stralen over mijn oude gerimpelde huid en het schone gevoel daarna, maar ik kan het me niet meer herinneren.

Ik sluit mijn ogen en probeer nog een beetje te slapen, maar mijn volle blaas en rommelende darmen maken het onmogelijk om me over te geven aan mijn altijd aanwezige vermoeidheid en dus wacht ik.
Ik wacht op Roos, het lichtpuntje van mijn dag. Ik hoop dat ze tijd heeft voor een praatje, ik kan het vandaag extra goed gebruiken. Vandaag is het precies een jaar geleden dat Bert stierf. Bert en ik waren vijfenvijftig jaar getrouwd en ik mis hem nog elke dag. Morgen komen Riet en Frans, mijn kinderen, en zullen ze me meenemen naar zijn graf, maar vandaag ben ik alleen, vandaag hadden ze geen tijd.

Ik werp nog een blik op de klok, twintig over zeven is het inmiddels en mijn buik gaat steeds harder tekeer. Een gevoel van honger heeft zich gevoegd bij de aandrang die ik al voel sinds ik wakker ben, of misschien is het wel de reden dat ik wakker ben geworden. Veel medebewoners dragen om deze reden een luier, maar dat is iets dat ik echt niet wil, het zou me mijn laatste beetje waardigheid afnemen.

Ik probeer mijn gedachten te verzetten, anders hou ik het niet vol. Ik denk aan Jaden, mijn achterkleinkind. Ik moet even nadenken hoe ik het ook alweer moet uitspreken, maar mijn geheugen laat me in de steek en ik kom er niet meer op, ik twijfel zelfs of het wel Jaden is.

Een scherpe pijnscheut haalt me uit mijn gedachten, de aandrang is veranderd in heftige buikkrampen, maar ik zie dat ik nog twintig minuten moet wachten voor Roos er is om me op het toilet te helpen. Ik vervloek de ouderdom die ervoor zorgt dat ik dat zelf niet meer kan. Elke dag word ik een beetje ouder en is mijn gevecht een beetje moeilijker. Alles is veranderd en niets is meer vertrouwd, behalve Roos en de wekelijkse bezoekjes van mijn kinderen.

Ik kijk naar de klok, acht uur. De pijn verandert langzaam in een steeds extremer wordende vermoeidheid. Ik sluit mijn ogen weer en probeer toe te geven aan die vermoeidheid, als ik slaap merk ik niets van mijn eenzaamheid en voel ik geen pijn, als ik slaap voel ik geen gemis.
De deur gaat open, Roos komt binnen. Ze glimlacht vriendelijk en legt haar hand op de mijne. Ik open voor de laatste keer mijn ogen en glimlach naar haar. Dan voel ik dat mijn lichaam zich langzaam ontspant. De urine en ontlasting lopen mijn bed in, maar ik merk het niet meer. Terwijl Roos mijn hand vasthoudt sluit ik mijn ogen, om ze nooit meer open te doen. Het is goed zo, ik ben bevrijd.

Zorg voor de ouderen, zoals zij ooit voor jou zorgden.
Zorg voor een ander, zoals jij wil dat voor jou gezorgd wordt.

Over de schrijnende tekorten in de ouderenzorg en in welke zorg dan ook.

Een neppe vluchteling

Het is zaterdagochtend, ruim een half jaar nadat mijn vader werd meegenomen. Hij werd voor de keuze gesteld: aansluiten of sterven. Aansluiten bij een groep die er geen moeite mee heeft om mannen, vrouwen en kinderen te martelen, misbruiken en vermoorden was geen optie voor mijn vader, dus werd het de tweede optie. Samen met enkele buurmannen werd hij afgevoerd om op het pleintje, in het zicht van vele buurtbewoners, te worden geexecuteerd.

Bijna elke dag huil ik om het gemis van mijn vader. Dan pak ik zijn telefoon en blader door de foto’s. De selfies die we samen maakten op de dag voor ik hem verloor heb ik in een apart mapje geplaatst, ze zijn mijn dierbaarste bezit. Bijna elke nacht heb ik nachtmerries over het beeld van de onherkenbare beul die zonder enige aarzeling met een groot mes met een enkele uithaal mijn vader onthoofdt.
Bijna elke nacht, behalve vandaag. Vandaag droom ik over een mooi groen bos. In het midden is een parkje met schommels en een glijbaan. Kinderen spelen onbevreesd oorlogje. Hier is het geen schrijnende waarheid, maar een onschuldig spel. Moeders zitten op bankjes aan de rand van de speeltuin, sommigen hebben een baby op schoot, anderen lezen een boek, maar iedereen is vrij, iedereen is gelukkig en niemand is bang. Een gelukzalig gevoel omarmt mij en rond mijn lippen vormt een voorzichtige glimlach.

Ruw word ik gewekt door iemand die me heen en weer schudt. Het is Apo, mijn buurjongen en schoolvriend sinds de eerste klas. Met tranen over zijn wangen vertelt hij me dat hij ze heeft gezien. Ze hebben mijn moeder en broer vermoord, evenals enkele anderen die ze tegen kwamen bij de rivier, en nu zijn ze onderweg, onderweg naar hier. We hebben nog een kans om te ontsnappen, maar dan moeten we nu vertrekken.
Het duurt even voor het allemaal tot me doordringt, maar dan spring ik op. Ik heb geen tijd om stil te staan bij mijn verdriet, maar ik kan niet voorkomen dat er een traan ontsnapt uit mijn rechter ooghoek. Ik pak de enveloppe met geld uit de kast, gris mijn enige bron van contact, mijn vaders Samsung S5 van tafel, en besluit de mooie Gaastra jas die mijn broer vorige maand van onze moeder voor zijn verjaardag heeft gekregen aan te trekken, zo draag ik ze allebei toch een beetje bij me. Onderweg naar buiten schakel ik vlug de telefoon uit, electriciteit is al maanden een probleem en ik verwacht niet dat dat op mijn vlucht anders zal zijn.

Samen rennen we door de straten. Soms zien we er een paar en moeten we ons schuilhouden, maar dan rennen we weer verder. We rennen tot we niet meer kunnen en dan lopen we. De zon gaat al onder en het wordt koud, maar we kunnen niet stoppen, we moeten verder.

Apo vertelt me over een man bij de haven, een man die mensen helpt te vluchten naar daar waar het beter is, waar iedereen welkom is ongeacht zijn afkomst, waar kinderen spelen en waar niemand bang is. Het enige dat deze man daarvoor vraagt is een kleine vergoeding.
We lopen verder en tegen zonsopgang komen we aan bij de haven. Na wat rondvragen vinden we de man. De kleine vergoeding blijkt bijna al ons geld te zijn, maar we weten dat we geen keus hebben, dus staan we het af.

Via een klein gammel bootje, stampvolle treinen en koude, lange voettochten zijn we bij onze laatste overbrugging aan gekomen. Het laatste obstakel tussen ons en het land waar we warm zullen worden onthaald, waar we welkom zullen zijn. Het laatste obstakel tussen ons en het land waar we veilig zullen zijn, het land uit mijn droom.

Zodra we het teken krijgen stappen we samen met twintig anderen achterin de koelruimte van de vrachtwagen. We zijn angstig en moe, maar we zijn er bijna.
De eerste kilometers gaan prima, maar het lijkt steeds kouder te worden. Ik heb geen gevoel meer in mijn armen en benen en ook de rest heeft last van ongemakken, maar we houden vol. Na uren in de koude laadruimte begin ik de moed te verliezen. Ademen gaat moeilijk en bewegen is haast onmogelijk. Met veel moeite stoot ik Apo aan. Hij reageert niet en ik kijk opzij. Zijn ogen zijn gesloten, hij slaapt, hoop ik. Ik kijk om me heen en zie dat iedereen het moeilijk heeft. Met mijn laatste beetje kracht vis ik mijn vaders telefoon uit de linkerzak van mijn broers jas. Ik schakel hem in en verwittig de hulpdiensten. Dan kan ik niet meer en sluiten ook mijn ogen zich.

Als ik wakker word staan er allemaal mensen om me heen. In een klap krijg ik het warm, ik ben er, eindelijk! Ik ben aan gekomen in het land uit mijn droom, het land waar ik ondanks mijn trieste verleden kan werken aan een hopelijk minder trieste toekomst, het land waar niemand een ander afvalt om zijn afkomst, het land waar iedereen ondanks de verschillen voor elkaar klaarstaat, maar vooral, het land waar ik welkom ben.

Inmiddels weet ik beter, ik ben niet welkom, maar ik moet niet zeuren, ik ben geen echte vluchteling, want ik heb een mooie jas en een telefoon.
Een snik ontsnapt als ik denk aan de herinneringen die deze ogenschijnlijk luxeproducten met zich meedragen, maar die zie alleen ik.

Antwoord op alle reacties in de trant van:
‘Wat moet die gelukszoeker hier, dat is geen vluchteling, heb je zijn jas gezien? En hij heeft zelfs een telefoon!’
Denk en vraag eerst eens verder voor je je oordeel velt, misschien zit je er wel helemaal naast.

Ongeïntegreerde allochtoon

Met mijn ogen nog op half zeven stap ik met mijn rechterbeen uit bed. In een zwaai probeer ik mijn dekbed met de bloemenovertrek van Blokker zo netjes mogelijk terug leggen, wat uiteraard mislukt, de helft belandt op de vloer.
Op de tast loop ik naar beneden en zet een kop Nederlandse Douwe Egberts koffie. Uit het linkerkeukenkastje pak ik twee suikerklontjes en laat ze voorzichtig in mijn kopje vallen. Daarna smeer ik mijn Nederlandse brood met Nederlandse pindakaas. Met mijn bordje ga ik aan de tafel zitten. Ik zet mijn televisie aan en zap naar Nederland drie. Het nos-journaal is nog niet begonnen, dus pak ik mijn telefoon, open de internetbrowser, ga naar ad.nl en lees daar het Nederlandse nieuws.
Als ik mijn brood op heb kleed ik mij aan en open de nieuwe tube Zendium tandpasta om mijn tanden te poetsen. Dan ga ik de deur uit, stap in mijn auto en rijd naar mijn Nederlandse vriendin. Onderweg kom ik langs Albert Heijn en ik besluit gauw nog wat Nederlandse Campina melk en Goudse kaas te kopen, ik hoop dat het lekker blijft zo lang buiten de koeling.

Ik stap weer in mijn auto. De radio staat op Q music en het is precies elf uur, tijd voor het nieuws. Als eerst wordt er gesproken over een verkeersongeval op de E313, maar daarna komt een onderzoekster aan het woord die vertelt over allochtonen en het integratieprobleem. Ik steek mijn hand uit naar het dashboardkastje, pak een zout dropje, stop het in mijn mond en kijk eens kritisch naar mezelf.

Ik eet en drink het liefst Nederlandse producten, maar met een Belgische koffiekoek kun je me net zo goed een plezier doen.
Ik kijk het liefst Nederlandse televisie, maar volg ook trouw ‘Topdokters’ op 2Be.
Ik heb vooral Nederlandse vriendinnen, maar de Belgische die ik heb vind ik net zo lief.
Ik kijk dagelijks het Nederlandse journaal, maar lees ook regelmatig een Belgische krant.

En weet je wat? In mijn geval is er niemand die dat erg vind, maar zou je ‘Nederlandse’ veranderen in ‘Marokkaanse’, ‘Turkse’ of ‘Afghaanse’ is het ineens een integratieprobleem.

Ik ben een ongeintegreerde allochtoon, maar dat doet niks af aan het respect dat ik voor de cultuur, tradities, normen en waarden van mijn Belgische medelanders heb, en is dat niet het belangrijkste?

Reactie op: ‘Turken eten Turkse kaas uit Turkse winkel, integratie mislukt.’

Alles, maar toch niets

Op haar blote voeten loopt ze door de modder. Samen met een van haar zussen speelt ze met stokken en steentjes. Ze heeft honger, maar ze weet dat er vandaag niets meer te eten is. Ze heeft niets, maar toch is ze gelukkig. Ze heeft een vader en een moeder, broers en zussen. Ze heeft vriendjes en vriendinnetjes en ze wil naar school, als ze groot is wil ze graag dokter worden, zodat ze de zieke mensen in haar dorp kan genezen. Ze heeft mooie dromen, dromen over een gelukkige toekomst. Ze heeft niets, maar toch heeft ze alles. Nog wel.

Met messen en geweren stormen ze haar dorp binnen, haar vader heeft haar nog net op tijd kunnen verstoppen achter het geheime luikje naast de deur. Er zitten kieren in het luikje waardoor ze precies kan zien hoe haar vader wordt doodgeschoten. Ze krimpt ineen en slaat een hand voor haar mond, tranen wellen in haar ogen, maar ze mag geen geluid maken.
Ze knijpt haar ogen dicht en stopt haar vingers in haar oren om maar zo min mogelijk mee te krijgen van het gegil en de schoten om haar heen. Als het eindelijk stil is duurt het nog uren voor ze uit haar schuilplek durft te komen.
Ze stapt om haar vader heen en gaat op zoek naar haar moeder, broers en zussen. Haar broers zijn doodgeschoten, net als haar vader. Van een buurvrouw hoort ze dat haar moeder en zussen zijn meegenomen, ze is helemaal alleen achter gebleven.
Met de buurvrouw vlucht ze mee. Weg van haar huis, waar niemand meer is om voor haar te zorgen. Weg van haar dorp met alle nare herinneringen. Weg van haar land waar ze niet veilig is en waar niemand haar onder zijn hoede neemt.

Na een zware, lange reis is ze aan gekomen in een vluchtelingenkamp in Nederland. Haar buurvrouw is ze onderweg kwijtgeraakt, de enige foto die ze nog van haar moeder heeft is vervaagd.

Ze wordt in een pleeghuis geplaatst en gaat naar school. Ze krijgt genoeg te eten, ze draagt leuke kleren en ze heeft een telefoon, maar ze is ongelukkig. Ze is alleen. Alleen met haar zorgen, alleen met haar angsten en alleen met haar verdriet. Als ze kon zou ze alles wat ze nu heeft omruilen voor het niets dat ze had. Het niets dat alles was, het niets dat geluk betekende.
Ze heeft nu alles, maar toch heeft ze niets.

Voor een ieder die vluchtelingen gelukszoekers noemt, ga je schamen.
Voor een ieder die vindt dat ze moeten oprotten naar hun eigen land, ga je schamen.
Voor een ieder die zegt dat het allemaal ratten zijn, ga je schamen.
Voor een ieder die zegt dat we geen plek hebben voor die vuile baanpikkers, ga je schamen.

Het zijn mensen, net als jij en ik, alleen hebben wij geluk gehad met de plek waar we zijn geboren. Dat geluk dat jij als vanzelfsprekend beschouwt en waar je niets voor hebt hoeven doen, daar hebben zij de meest verschrikkelijke opofferingen voor moeten doen en dan nog komt het niet eens in de buurt van een fractie van het geluk dat jou in je schoot is geworpen op het moment dat je hier voor het eerst je ogen opende.

En ja, ik ben ook bang.
Bang voor ‘wat’ er meereist met de stroom vluchtelingen.
Bang voor ‘wat’ zich verschuilt tussen de menigte.
Bang voor een ieder die niet oprecht is en hier komt met de verkeerde redenen.

We zijn allemaal bang, maar we zijn het verplicht aan oprechte mensen zoals zij om onze menselijkheid boven onze angst te zetten.
We zijn het verplicht aan oprechte mensen zoals zij om ons niet te laten leiden door de vrees van het onbekende.
We zijn het verplicht aan oprechte mensen zoals zij om een ieder de kans te geven op een veilig bestaan.

Wees niet zo egoistisch en ben bereid om je geluk te delen met hen die niks hebben, al is het maar een klein beetje, want uiteindelijk zijn we allemaal mensen.