Vlug naar huis

een friettent in tilburg friet zo heeft een tijdje terug het nieuws ___

Ik voel de bui al hangen, dus haal ik gauw zijn bakje friet uit de grote witte zak. Vlug trek ik een klein wit zakje van de rails, stop zijn bakje erin en geef het hem. Trots pakt hij zijn eigen zakje aan en dan zijn we klaar om naar huis te lopen. Mijn maag rammelt, ik hoop dat hij niet treuzelt.

Het is heerlijk lenteweer, de zon schijnt en de vogels fluiten. Voor even houdt hij braaf mijn hand vast, maar dan vindt hij het genoeg en trekt hij zich los. Hij loopt naar het grasveldje en bij de aanblik van de vele paardenbloemen vliegen de ‘ooooohhh’s’ en de ‘aaaah’s’ me om mijn oren. Hij is onder de indruk van al het moois dat hij ziet en stapt van paardenbloem naar paardenbloem, om bij de laatste neer te hurken en de blaadjes, nadat hij ze een voor een heeft uitgetrokken, aandachtig te bestuderen. Na vijf minuten vind ik het genoeg, dus pluk ik een paardenbloem en zeg dat hij die mee mag nemen naar huis. Hij knelt de bloem stevig in zijn knuistje en zo kunnen we weer op pad.

Na vijf stappen ziet hij een miertje lopen over de grijze tegels. Hij stopt en kijkt gefascineerd hoe dat bijzondere beestje een klein blaadje probeert mee te trekken. Hoe vaak ik ook roep, hij hoort me niet. Hij zit in zijn eigen wereldje, samen met mister Mier.

Als ik zijn hand probeer te pakken heft hij zijn hoofd op en kijkt me boos aan, ik heb zijn vredige moment verstoord. Gelukkig ziet hij iets dat hem afleidt. Achter mij zit een kraai op een bankje. Enthousiast loopt hij er met uitgestrekte armpjes naartoe, maar zodra hij te dichtbij komt vliegt de kraai er vandoor. Verdrietig volgt hij hem met zijn ogen en roept ‘kom kom’, maar de zwarte vogel komt niet terug.

Als er een meisje met een hondje langsloopt is de kraai verleden tijd. Blij rent hij naar ze toe, luid ‘miauw miauw’ roepend. Dat een hond en een kat twee verschillende dieren zijn lijkt niet tot hem door te dringen, en wat geeft het ook, je kunt ze allebei aaien.

Langzaam loop ik verder. Ik roep hem, hij kijkt op, maar volgt me niet. Om hem in de gaten te blijven houden loop ik achteruit verder, fout! Vrijwel direct beweegt zijn kleine lijfje de andere kant op en probeert hij ook achteruit te lopen, in tegengestelde richting. Ik ren naar hem toe en onder luid protest til ik hem op en snelwandel ik met hem en de twee witte zakjes met eten zo snel als ik kan richting onze rijtjeswoning.

Na twintig meter weet hij zich los te wurmen en als een klein michelinmannetje rent hij voor me uit, in de juiste richting deze keer. Hij heeft ons huis ontdekt en wil er als eerste zijn, zodat hij kan klepperen met de brievenbus om de kaboutertjes te laten weten dat we thuis zijn.

Ik haal de inmiddels kleurloze sleutel uit de jaszak van mijn zwarte jasje en draai de deur open. Met zijn kleine lijf probeert hij me opzij te duwen en stapt als eerste het huis binnen. Gelijk loopt hij naar de tafel, kwakt zoals altijd het blauwgehokte stoelkussentje op de grond en neemt samen met zijn witte zakje en zijn paardenbloem plaats.

Ik pak bordjes en bekers, flessen mayonaise en curry en een kan water, dan ga ik bij hem zitten. De friet verdeel ik over de bordjes en dan kunnen we eindelijk gaan eten. Handen wassen ‘vergeten’ we voor deze keer, nu maar hopen dat er geen hondje over de geplukte paardenbloemen heeft geplast.. Smakelijk!

 

Advertenties

Onhoudbaar

Langzaam word ik wakker. Ik probeer op de klok aan de muur voor mij te zien hoe laat het is, maar ik kan het niet ontcijferen. Ik steek mijn rechterhand uit en op de tast pak ik mijn bril van het nachtkastje naast mij. Met trillende vingers zet ik de bril op mijn neus en zie dat het vijf voor zeven is, nog ongeveer een uur en vijf minuten tot Roos komt. Roos is een van de verzorgsters in het verpleegtehuis waar ik woon en ik weet dat ze vandaag dienst heeft. Als ze komt is ze altijd heel lief en ondanks haar veel te drukke schema maakt ze zelfs weleens tijd voor een kort praatje, ze is mijn favoriete verzorgster.

Ik blijf in bed liggen, want alleen opstaan kan ik al maanden niet meer. Zoals altijd vul ik de tijd met het denken aan vroeger. Vroeger, toen mijn man en mijn vrienden nog leefden, ik een rijk gevuld sociaal leven had en ik alles nog kon. Toen ik nog kon rennen en spelen met mijn kleinkinderen, toen mijn ogen nog prima waren en mijn handen niet beefden zodat ik mooie sjaals kon breien voor iedereen die ik lief had, toen ik nog zonder hulp naar het toilet kon en onder de douche. Ik probeer me mijn laatste douchebeurt voor de geest te halen, de warmte van de stralen over mijn oude gerimpelde huid en het schone gevoel daarna, maar ik kan het me niet meer herinneren.

Ik sluit mijn ogen en probeer nog een beetje te slapen, maar mijn volle blaas en rommelende darmen maken het onmogelijk om me over te geven aan mijn altijd aanwezige vermoeidheid en dus wacht ik.
Ik wacht op Roos, het lichtpuntje van mijn dag. Ik hoop dat ze tijd heeft voor een praatje, ik kan het vandaag extra goed gebruiken. Vandaag is het precies een jaar geleden dat Bert stierf. Bert en ik waren vijfenvijftig jaar getrouwd en ik mis hem nog elke dag. Morgen komen Riet en Frans, mijn kinderen, en zullen ze me meenemen naar zijn graf, maar vandaag ben ik alleen, vandaag hadden ze geen tijd.

Ik werp nog een blik op de klok, twintig over zeven is het inmiddels en mijn buik gaat steeds harder tekeer. Een gevoel van honger heeft zich gevoegd bij de aandrang die ik al voel sinds ik wakker ben, of misschien is het wel de reden dat ik wakker ben geworden. Veel medebewoners dragen om deze reden een luier, maar dat is iets dat ik echt niet wil, het zou me mijn laatste beetje waardigheid afnemen.

Ik probeer mijn gedachten te verzetten, anders hou ik het niet vol. Ik denk aan Jaden, mijn achterkleinkind. Ik moet even nadenken hoe ik het ook alweer moet uitspreken, maar mijn geheugen laat me in de steek en ik kom er niet meer op, ik twijfel zelfs of het wel Jaden is.

Een scherpe pijnscheut haalt me uit mijn gedachten, de aandrang is veranderd in heftige buikkrampen, maar ik zie dat ik nog twintig minuten moet wachten voor Roos er is om me op het toilet te helpen. Ik vervloek de ouderdom die ervoor zorgt dat ik dat zelf niet meer kan. Elke dag word ik een beetje ouder en is mijn gevecht een beetje moeilijker. Alles is veranderd en niets is meer vertrouwd, behalve Roos en de wekelijkse bezoekjes van mijn kinderen.

Ik kijk naar de klok, acht uur. De pijn verandert langzaam in een steeds extremer wordende vermoeidheid. Ik sluit mijn ogen weer en probeer toe te geven aan die vermoeidheid, als ik slaap merk ik niets van mijn eenzaamheid en voel ik geen pijn, als ik slaap voel ik geen gemis.
De deur gaat open, Roos komt binnen. Ze glimlacht vriendelijk en legt haar hand op de mijne. Ik open voor de laatste keer mijn ogen en glimlach naar haar. Dan voel ik dat mijn lichaam zich langzaam ontspant. De urine en ontlasting lopen mijn bed in, maar ik merk het niet meer. Terwijl Roos mijn hand vasthoudt sluit ik mijn ogen, om ze nooit meer open te doen. Het is goed zo, ik ben bevrijd.

Zorg voor de ouderen, zoals zij ooit voor jou zorgden.
Zorg voor een ander, zoals jij wil dat voor jou gezorgd wordt.

Over de schrijnende tekorten in de ouderenzorg en in welke zorg dan ook.