Een neppe vluchteling

Het is zaterdagochtend, ruim een half jaar nadat mijn vader werd meegenomen. Hij werd voor de keuze gesteld: aansluiten of sterven. Aansluiten bij een groep die er geen moeite mee heeft om mannen, vrouwen en kinderen te martelen, misbruiken en vermoorden was geen optie voor mijn vader, dus werd het de tweede optie. Samen met enkele buurmannen werd hij afgevoerd om op het pleintje, in het zicht van vele buurtbewoners, te worden geexecuteerd.

Bijna elke dag huil ik om het gemis van mijn vader. Dan pak ik zijn telefoon en blader door de foto’s. De selfies die we samen maakten op de dag voor ik hem verloor heb ik in een apart mapje geplaatst, ze zijn mijn dierbaarste bezit. Bijna elke nacht heb ik nachtmerries over het beeld van de onherkenbare beul die zonder enige aarzeling met een groot mes met een enkele uithaal mijn vader onthoofdt.
Bijna elke nacht, behalve vandaag. Vandaag droom ik over een mooi groen bos. In het midden is een parkje met schommels en een glijbaan. Kinderen spelen onbevreesd oorlogje. Hier is het geen schrijnende waarheid, maar een onschuldig spel. Moeders zitten op bankjes aan de rand van de speeltuin, sommigen hebben een baby op schoot, anderen lezen een boek, maar iedereen is vrij, iedereen is gelukkig en niemand is bang. Een gelukzalig gevoel omarmt mij en rond mijn lippen vormt een voorzichtige glimlach.

Ruw word ik gewekt door iemand die me heen en weer schudt. Het is Apo, mijn buurjongen en schoolvriend sinds de eerste klas. Met tranen over zijn wangen vertelt hij me dat hij ze heeft gezien. Ze hebben mijn moeder en broer vermoord, evenals enkele anderen die ze tegen kwamen bij de rivier, en nu zijn ze onderweg, onderweg naar hier. We hebben nog een kans om te ontsnappen, maar dan moeten we nu vertrekken.
Het duurt even voor het allemaal tot me doordringt, maar dan spring ik op. Ik heb geen tijd om stil te staan bij mijn verdriet, maar ik kan niet voorkomen dat er een traan ontsnapt uit mijn rechter ooghoek. Ik pak de enveloppe met geld uit de kast, gris mijn enige bron van contact, mijn vaders Samsung S5 van tafel, en besluit de mooie Gaastra jas die mijn broer vorige maand van onze moeder voor zijn verjaardag heeft gekregen aan te trekken, zo draag ik ze allebei toch een beetje bij me. Onderweg naar buiten schakel ik vlug de telefoon uit, electriciteit is al maanden een probleem en ik verwacht niet dat dat op mijn vlucht anders zal zijn.

Samen rennen we door de straten. Soms zien we er een paar en moeten we ons schuilhouden, maar dan rennen we weer verder. We rennen tot we niet meer kunnen en dan lopen we. De zon gaat al onder en het wordt koud, maar we kunnen niet stoppen, we moeten verder.

Apo vertelt me over een man bij de haven, een man die mensen helpt te vluchten naar daar waar het beter is, waar iedereen welkom is ongeacht zijn afkomst, waar kinderen spelen en waar niemand bang is. Het enige dat deze man daarvoor vraagt is een kleine vergoeding.
We lopen verder en tegen zonsopgang komen we aan bij de haven. Na wat rondvragen vinden we de man. De kleine vergoeding blijkt bijna al ons geld te zijn, maar we weten dat we geen keus hebben, dus staan we het af.

Via een klein gammel bootje, stampvolle treinen en koude, lange voettochten zijn we bij onze laatste overbrugging aan gekomen. Het laatste obstakel tussen ons en het land waar we warm zullen worden onthaald, waar we welkom zullen zijn. Het laatste obstakel tussen ons en het land waar we veilig zullen zijn, het land uit mijn droom.

Zodra we het teken krijgen stappen we samen met twintig anderen achterin de koelruimte van de vrachtwagen. We zijn angstig en moe, maar we zijn er bijna.
De eerste kilometers gaan prima, maar het lijkt steeds kouder te worden. Ik heb geen gevoel meer in mijn armen en benen en ook de rest heeft last van ongemakken, maar we houden vol. Na uren in de koude laadruimte begin ik de moed te verliezen. Ademen gaat moeilijk en bewegen is haast onmogelijk. Met veel moeite stoot ik Apo aan. Hij reageert niet en ik kijk opzij. Zijn ogen zijn gesloten, hij slaapt, hoop ik. Ik kijk om me heen en zie dat iedereen het moeilijk heeft. Met mijn laatste beetje kracht vis ik mijn vaders telefoon uit de linkerzak van mijn broers jas. Ik schakel hem in en verwittig de hulpdiensten. Dan kan ik niet meer en sluiten ook mijn ogen zich.

Als ik wakker word staan er allemaal mensen om me heen. In een klap krijg ik het warm, ik ben er, eindelijk! Ik ben aan gekomen in het land uit mijn droom, het land waar ik ondanks mijn trieste verleden kan werken aan een hopelijk minder trieste toekomst, het land waar niemand een ander afvalt om zijn afkomst, het land waar iedereen ondanks de verschillen voor elkaar klaarstaat, maar vooral, het land waar ik welkom ben.

Inmiddels weet ik beter, ik ben niet welkom, maar ik moet niet zeuren, ik ben geen echte vluchteling, want ik heb een mooie jas en een telefoon.
Een snik ontsnapt als ik denk aan de herinneringen die deze ogenschijnlijk luxeproducten met zich meedragen, maar die zie alleen ik.

Antwoord op alle reacties in de trant van:
‘Wat moet die gelukszoeker hier, dat is geen vluchteling, heb je zijn jas gezien? En hij heeft zelfs een telefoon!’
Denk en vraag eerst eens verder voor je je oordeel velt, misschien zit je er wel helemaal naast.

Advertenties

2 gedachtes over “Een neppe vluchteling

  1. De wereld is maar zo klein. Wij bezitten haar niet. Wij delen haar en vestigen ons waar wij veilig zijn. Dat is nu hier. Ik heb nog wel een deken. En een jas. En een muts. En een kus ❤

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s