Een neppe vluchteling

Het is zaterdagochtend, ruim een half jaar nadat mijn vader werd meegenomen. Hij werd voor de keuze gesteld: aansluiten of sterven. Aansluiten bij een groep die er geen moeite mee heeft om mannen, vrouwen en kinderen te martelen, misbruiken en vermoorden was geen optie voor mijn vader, dus werd het de tweede optie. Samen met enkele buurmannen werd hij afgevoerd om op het pleintje, in het zicht van vele buurtbewoners, te worden geexecuteerd.

Bijna elke dag huil ik om het gemis van mijn vader. Dan pak ik zijn telefoon en blader door de foto’s. De selfies die we samen maakten op de dag voor ik hem verloor heb ik in een apart mapje geplaatst, ze zijn mijn dierbaarste bezit. Bijna elke nacht heb ik nachtmerries over het beeld van de onherkenbare beul die zonder enige aarzeling met een groot mes met een enkele uithaal mijn vader onthoofdt.
Bijna elke nacht, behalve vandaag. Vandaag droom ik over een mooi groen bos. In het midden is een parkje met schommels en een glijbaan. Kinderen spelen onbevreesd oorlogje. Hier is het geen schrijnende waarheid, maar een onschuldig spel. Moeders zitten op bankjes aan de rand van de speeltuin, sommigen hebben een baby op schoot, anderen lezen een boek, maar iedereen is vrij, iedereen is gelukkig en niemand is bang. Een gelukzalig gevoel omarmt mij en rond mijn lippen vormt een voorzichtige glimlach.

Ruw word ik gewekt door iemand die me heen en weer schudt. Het is Apo, mijn buurjongen en schoolvriend sinds de eerste klas. Met tranen over zijn wangen vertelt hij me dat hij ze heeft gezien. Ze hebben mijn moeder en broer vermoord, evenals enkele anderen die ze tegen kwamen bij de rivier, en nu zijn ze onderweg, onderweg naar hier. We hebben nog een kans om te ontsnappen, maar dan moeten we nu vertrekken.
Het duurt even voor het allemaal tot me doordringt, maar dan spring ik op. Ik heb geen tijd om stil te staan bij mijn verdriet, maar ik kan niet voorkomen dat er een traan ontsnapt uit mijn rechter ooghoek. Ik pak de enveloppe met geld uit de kast, gris mijn enige bron van contact, mijn vaders Samsung S5 van tafel, en besluit de mooie Gaastra jas die mijn broer vorige maand van onze moeder voor zijn verjaardag heeft gekregen aan te trekken, zo draag ik ze allebei toch een beetje bij me. Onderweg naar buiten schakel ik vlug de telefoon uit, electriciteit is al maanden een probleem en ik verwacht niet dat dat op mijn vlucht anders zal zijn.

Samen rennen we door de straten. Soms zien we er een paar en moeten we ons schuilhouden, maar dan rennen we weer verder. We rennen tot we niet meer kunnen en dan lopen we. De zon gaat al onder en het wordt koud, maar we kunnen niet stoppen, we moeten verder.

Apo vertelt me over een man bij de haven, een man die mensen helpt te vluchten naar daar waar het beter is, waar iedereen welkom is ongeacht zijn afkomst, waar kinderen spelen en waar niemand bang is. Het enige dat deze man daarvoor vraagt is een kleine vergoeding.
We lopen verder en tegen zonsopgang komen we aan bij de haven. Na wat rondvragen vinden we de man. De kleine vergoeding blijkt bijna al ons geld te zijn, maar we weten dat we geen keus hebben, dus staan we het af.

Via een klein gammel bootje, stampvolle treinen en koude, lange voettochten zijn we bij onze laatste overbrugging aan gekomen. Het laatste obstakel tussen ons en het land waar we warm zullen worden onthaald, waar we welkom zullen zijn. Het laatste obstakel tussen ons en het land waar we veilig zullen zijn, het land uit mijn droom.

Zodra we het teken krijgen stappen we samen met twintig anderen achterin de koelruimte van de vrachtwagen. We zijn angstig en moe, maar we zijn er bijna.
De eerste kilometers gaan prima, maar het lijkt steeds kouder te worden. Ik heb geen gevoel meer in mijn armen en benen en ook de rest heeft last van ongemakken, maar we houden vol. Na uren in de koude laadruimte begin ik de moed te verliezen. Ademen gaat moeilijk en bewegen is haast onmogelijk. Met veel moeite stoot ik Apo aan. Hij reageert niet en ik kijk opzij. Zijn ogen zijn gesloten, hij slaapt, hoop ik. Ik kijk om me heen en zie dat iedereen het moeilijk heeft. Met mijn laatste beetje kracht vis ik mijn vaders telefoon uit de linkerzak van mijn broers jas. Ik schakel hem in en verwittig de hulpdiensten. Dan kan ik niet meer en sluiten ook mijn ogen zich.

Als ik wakker word staan er allemaal mensen om me heen. In een klap krijg ik het warm, ik ben er, eindelijk! Ik ben aan gekomen in het land uit mijn droom, het land waar ik ondanks mijn trieste verleden kan werken aan een hopelijk minder trieste toekomst, het land waar niemand een ander afvalt om zijn afkomst, het land waar iedereen ondanks de verschillen voor elkaar klaarstaat, maar vooral, het land waar ik welkom ben.

Inmiddels weet ik beter, ik ben niet welkom, maar ik moet niet zeuren, ik ben geen echte vluchteling, want ik heb een mooie jas en een telefoon.
Een snik ontsnapt als ik denk aan de herinneringen die deze ogenschijnlijk luxeproducten met zich meedragen, maar die zie alleen ik.

Antwoord op alle reacties in de trant van:
‘Wat moet die gelukszoeker hier, dat is geen vluchteling, heb je zijn jas gezien? En hij heeft zelfs een telefoon!’
Denk en vraag eerst eens verder voor je je oordeel velt, misschien zit je er wel helemaal naast.

Advertenties

Ongeïntegreerde allochtoon

Met mijn ogen nog op half zeven stap ik met mijn rechterbeen uit bed. In een zwaai probeer ik mijn dekbed met de bloemenovertrek van Blokker zo netjes mogelijk terug leggen, wat uiteraard mislukt, de helft belandt op de vloer.
Op de tast loop ik naar beneden en zet een kop Nederlandse Douwe Egberts koffie. Uit het linkerkeukenkastje pak ik twee suikerklontjes en laat ze voorzichtig in mijn kopje vallen. Daarna smeer ik mijn Nederlandse brood met Nederlandse pindakaas. Met mijn bordje ga ik aan de tafel zitten. Ik zet mijn televisie aan en zap naar Nederland drie. Het nos-journaal is nog niet begonnen, dus pak ik mijn telefoon, open de internetbrowser, ga naar ad.nl en lees daar het Nederlandse nieuws.
Als ik mijn brood op heb kleed ik mij aan en open de nieuwe tube Zendium tandpasta om mijn tanden te poetsen. Dan ga ik de deur uit, stap in mijn auto en rijd naar mijn Nederlandse vriendin. Onderweg kom ik langs Albert Heijn en ik besluit gauw nog wat Nederlandse Campina melk en Goudse kaas te kopen, ik hoop dat het lekker blijft zo lang buiten de koeling.

Ik stap weer in mijn auto. De radio staat op Q music en het is precies elf uur, tijd voor het nieuws. Als eerst wordt er gesproken over een verkeersongeval op de E313, maar daarna komt een onderzoekster aan het woord die vertelt over allochtonen en het integratieprobleem. Ik steek mijn hand uit naar het dashboardkastje, pak een zout dropje, stop het in mijn mond en kijk eens kritisch naar mezelf.

Ik eet en drink het liefst Nederlandse producten, maar met een Belgische koffiekoek kun je me net zo goed een plezier doen.
Ik kijk het liefst Nederlandse televisie, maar volg ook trouw ‘Topdokters’ op 2Be.
Ik heb vooral Nederlandse vriendinnen, maar de Belgische die ik heb vind ik net zo lief.
Ik kijk dagelijks het Nederlandse journaal, maar lees ook regelmatig een Belgische krant.

En weet je wat? In mijn geval is er niemand die dat erg vind, maar zou je ‘Nederlandse’ veranderen in ‘Marokkaanse’, ‘Turkse’ of ‘Afghaanse’ is het ineens een integratieprobleem.

Ik ben een ongeintegreerde allochtoon, maar dat doet niks af aan het respect dat ik voor de cultuur, tradities, normen en waarden van mijn Belgische medelanders heb, en is dat niet het belangrijkste?

Reactie op: ‘Turken eten Turkse kaas uit Turkse winkel, integratie mislukt.’

Alles, maar toch niets

Op haar blote voeten loopt ze door de modder. Samen met een van haar zussen speelt ze met stokken en steentjes. Ze heeft honger, maar ze weet dat er vandaag niets meer te eten is. Ze heeft niets, maar toch is ze gelukkig. Ze heeft een vader en een moeder, broers en zussen. Ze heeft vriendjes en vriendinnetjes en ze wil naar school, als ze groot is wil ze graag dokter worden, zodat ze de zieke mensen in haar dorp kan genezen. Ze heeft mooie dromen, dromen over een gelukkige toekomst. Ze heeft niets, maar toch heeft ze alles. Nog wel.

Met messen en geweren stormen ze haar dorp binnen, haar vader heeft haar nog net op tijd kunnen verstoppen achter het geheime luikje naast de deur. Er zitten kieren in het luikje waardoor ze precies kan zien hoe haar vader wordt doodgeschoten. Ze krimpt ineen en slaat een hand voor haar mond, tranen wellen in haar ogen, maar ze mag geen geluid maken.
Ze knijpt haar ogen dicht en stopt haar vingers in haar oren om maar zo min mogelijk mee te krijgen van het gegil en de schoten om haar heen. Als het eindelijk stil is duurt het nog uren voor ze uit haar schuilplek durft te komen.
Ze stapt om haar vader heen en gaat op zoek naar haar moeder, broers en zussen. Haar broers zijn doodgeschoten, net als haar vader. Van een buurvrouw hoort ze dat haar moeder en zussen zijn meegenomen, ze is helemaal alleen achter gebleven.
Met de buurvrouw vlucht ze mee. Weg van haar huis, waar niemand meer is om voor haar te zorgen. Weg van haar dorp met alle nare herinneringen. Weg van haar land waar ze niet veilig is en waar niemand haar onder zijn hoede neemt.

Na een zware, lange reis is ze aan gekomen in een vluchtelingenkamp in Nederland. Haar buurvrouw is ze onderweg kwijtgeraakt, de enige foto die ze nog van haar moeder heeft is vervaagd.

Ze wordt in een pleeghuis geplaatst en gaat naar school. Ze krijgt genoeg te eten, ze draagt leuke kleren en ze heeft een telefoon, maar ze is ongelukkig. Ze is alleen. Alleen met haar zorgen, alleen met haar angsten en alleen met haar verdriet. Als ze kon zou ze alles wat ze nu heeft omruilen voor het niets dat ze had. Het niets dat alles was, het niets dat geluk betekende.
Ze heeft nu alles, maar toch heeft ze niets.

Voor een ieder die vluchtelingen gelukszoekers noemt, ga je schamen.
Voor een ieder die vindt dat ze moeten oprotten naar hun eigen land, ga je schamen.
Voor een ieder die zegt dat het allemaal ratten zijn, ga je schamen.
Voor een ieder die zegt dat we geen plek hebben voor die vuile baanpikkers, ga je schamen.

Het zijn mensen, net als jij en ik, alleen hebben wij geluk gehad met de plek waar we zijn geboren. Dat geluk dat jij als vanzelfsprekend beschouwt en waar je niets voor hebt hoeven doen, daar hebben zij de meest verschrikkelijke opofferingen voor moeten doen en dan nog komt het niet eens in de buurt van een fractie van het geluk dat jou in je schoot is geworpen op het moment dat je hier voor het eerst je ogen opende.

En ja, ik ben ook bang.
Bang voor ‘wat’ er meereist met de stroom vluchtelingen.
Bang voor ‘wat’ zich verschuilt tussen de menigte.
Bang voor een ieder die niet oprecht is en hier komt met de verkeerde redenen.

We zijn allemaal bang, maar we zijn het verplicht aan oprechte mensen zoals zij om onze menselijkheid boven onze angst te zetten.
We zijn het verplicht aan oprechte mensen zoals zij om ons niet te laten leiden door de vrees van het onbekende.
We zijn het verplicht aan oprechte mensen zoals zij om een ieder de kans te geven op een veilig bestaan.

Wees niet zo egoistisch en ben bereid om je geluk te delen met hen die niks hebben, al is het maar een klein beetje, want uiteindelijk zijn we allemaal mensen.

Eén pot nat

WP_20160427_17_48_12_Pro

Samen met Ferhat loop ik naar huis, zijn kleine handje in de mijne. Zijn minibeentjes proberen mij bij te houden waardoor hij af en toe een sprongetje moet maken. In zijn linkerhandje klemt hij zijn lievelingsauto stevig vast, het is een rode auto van Cars, Lightning McQueen, voor vrienden Lijtje. De stickers zijn er bijna volledig afgevaagd en in de hoekjes piept de donkere metaalkleur al voorzichtig onder de rode verf uit, maar ondanks zijn gebreken is het zijn favoriete auto en moet hij overal mee naar toe.
Ik vertel dat we thuis vlug wat gaan eten en dat we daarna even wat muntthee naar papa gaan brengen in de pizzeria.

Gauw stappen we door en als we binnen zijn zet ik direct de schaal met bloemkooltaart in de oven. Bloemkooltaart is eigenlijk een bloemkoolovenschotel, maar dat lusten ze hier niet, bloemkooltaart daarentegen natuurlijk wel! Ferhat komt met een grote glimlach naar me toe en zegt dat we boffen, we eten taart en er is niet eens iemand jarig!

Ik zet de gebaksbordjes op tafel, taart eet je niet van een dinerbord, vul de gekleurde plastic Ikeabekers met water en zeg dat iedereen plaats mag nemen voor deze feestmaaltijd. Miran kruipt op zijn zichzelf toegeeigende vaste stoel. Ferhat en Dilay maken ruzie over een plekje en ik herinner ze eraan dat Dilay daar gister mocht zitten en Ferhat nu dus aan de beurt is. Nukkig schuift Dilay een stoeltje op. Dat viel mee!

Binnen drie minuten zit iedereen aan tafel en zijn we klaar om te gaan eten, maar dan begint Ferhat te snikken. Beteuterd kijkt hij naar de groene beker voor hem op tafel. Groen. Gelijk zie ik mijn vergissing in, ik heb hem een groene beker gegeven. Een groene in plaats van een roze. Shit, hoe kon ik zo stom zijn. Van alle kinderen is hij de enige met een kleurvoorkeur en uitgerekend hem geef ik de verkeerde beker. Na een blik rond de tafel zie ik dat mijn vergissing nog veel groter is dan dat. De roze beker prijkt tussen Mirans mollige net-niet-meer-babyhandjes.
Ik doe een schietgebedje en probeer Miran over te halen zijn lelijke saaie beker te ruilen voor de mooie frisgroene beker van zijn broer. Als ik voorzichtig de roze beker wil pakken krijg ik een boze ‘Nee! Mij!’ te horen. Missie gefaald.

Ik sta voor een dilemma; als ik de bekers niet omwissel heb ik de rest van de dag een verdrietig kleutertje, maar als ik ze wel omwissel ontsteekt mijn vrolijke peutertje in een niet te temmen driftbui. In gedachten weeg ik zorgvuldig de gevolgen tegen elkaar af en besluit de bekers niet om te wisselen. Ferhat zal in zijn leven nog veel grotere teleurstellingen te verwerken krijgen dan de kleur van een plastic bekertje en ik denk niet dat hij er beter van wordt als ik hem er steeds voor behoed, daarbij had Miran ook gewoon de roze beker gekregen, dus waarom zou hij die moeten afstaan?

Ik leg Ferhat uit dat hij vandaag genoegen moet nemen met de groene beker, maar morgen zal ik hem de roze geven, echt waar, beloofd. Zijn gezichtje betrekt en zijn oogjes worden nat. Dikke tranen rollen over zijn wangen en een vieze snottebel glijdt uit zijn rechterneusgat. Met het puntje van zijn tong kan hij precies bij de slijmerige substantie en behendig laat hij de onderste helft ervan in zijn mond verdwijnen, de bovenste helft veegt hij af aan zijn linkermouw. Ik wijs hem erop dat een zakdoekje hygienischer is en hoop dat hij deze gewoonte gauw afleert.

Snikkend deelt hij zijn taart met Lijtje, om de beurt een hapje. In mijn ooghoek zie ik dat Miran zich vergist, hij pakt per ongeluk mijn oranje beker. Normaal zou ik hem hier op wijzen, maar vandaag komt het goed uit. Ongemerkt schuif ik de roze beker twee plaatsjes door, tot achter Ferhats bord. Ferhat kijkt me vragend aan en ik knik, de roze beker is voor hem. Hij begint te lachen en zijn ogen stralen weer. Voor de tweede keer deze maaltijd veegt hij zijn ontembare snottebel af aan zijn mouw, zijn tranen droogt hij aan mijn schone blousje dat over de stoel naast hem hangt en dan zet hij de felbegeerde beker aan zijn lippen. In een keer drinkt hij hem leeg. Ik begrijp hem, water smaakt veel lekkerder uit je lievelingsbeker als je vier bent.

Zodra iedereen zijn bordje leeg heeft kijkt hij me aan en vraagt of we nu dan naar papa gaan om zijn geldkoffie te brengen. Ik begrijp niet wat hij bedoelt, maar om een ingewikkelde uitleg voor te zijn besluit ik niks te vragen. We trekken onze jassen en schoenen aan. Ik loop naar de keuken en stop een aangebroken doosje muntthee naast de luiers, doekjes, bonnetjes en koekkruimels in mijn grote zwarte tas. Ferhat grijpt mijn tas, doet het doosje muntthee open, stopt zijn auto erin en geeft me een kus op mijn rechter bovenbeen, ‘goed dat je aan papa’s geldkoffie hebt gedacht mama, ik ben trots op je!’ Ik glimlach en kijk naar beneden. Op mijn zwarte broek glimt een grote snottebel, maar dat kan me niets schelen. Ik geef hem een kus op zijn neus, pak zijn handje en samen stappen we de koude avondlucht in. Papa, we komen eraan, mét je geldkoffie!

Democratisch beslist

Je huisdier verzorgen hoeft niet meer duur te zijn met de Groupon ___

Met zijn zevenen zitten we aan de grote vierkante tafel. Voor ons staan twee pannen, een pan met macaroni en een pan met macaroni en lekkere versgemaakte tomatensaus met extra veel groente. Uit ervaring weet ik dat ik beter wat macaroni apart kan houden en inderdaad, vier van de zeven kiezen voor de kale macaroni zonder saus. Deze strijd heb ik jaren geleden al opgegeven, dus ik schep vier bordjes vol met de witte vlindertjes.

Volgens wekelijks terugkerende traditie gaat het gesprek over huisdieren. We willen graag een huisdier, ik denk dat een kind veel kan leren van zo’n beste vriend, maar de heer des huizes wil er niets van weten, volgens hem zijn zeven mensen in een huis meer dan genoeg, daar past geen huisdier bij.

Amber en ik willen graag een hond. Ik denk dat een hond perfect bij ons past en ook zorgt voor de nodige beweging. Ik wandel graag, maar niet zonder doel. Een hond zou dan een perfecte reden zijn om in de benen te komen en wat aan mijn conditie te doen en bovendien zou de extra frisse lucht de kinderen ook goed doen.

Dilay wil als enige heel graag een poes, een ‘lampjeskat’, om precies te zijn. Ze wil er heel graag een ‘apporteren’ uit het asiel.
Ferhat twijfelt nog welk huisdier hij graag wil, een giraf of een olifant lijkt hem erg leuk. Dat beide dieren te groot zijn wil hij niets van horen, het past best en anders bukken ze toch gewoon?
Manlief antwoordt bij wijze van grap dat hij wel een muis zou willen, of een dinosaurus!

Amber zegt dat het aan de hand van de stemmen een hond moet worden, het is democratisch beslist. Dilay vraagt wat dat betekent en zodra ze het snapt begint ze op Ferhat in te praten. ‘Poesjes zijn heel leuk, je kunt er mee spelen en je kunt ze meenemen in de auto, dan zwaaien ze naar andere poesjes!’. Ferhat is om, een zwaaiend poesje, dat wil hij wel!
Nu moet Miran nog een dier kiezen en omdat hij nog bijna niet praat, laten we hem plaatjes zien. Hij wil geen hond en ook geen kat, het lijkt erop dat onze spelbreker een medestander heeft gevonden, wat de stand 2-2-2 maakt.

Onze hoop is gevestigd op onze kleinste stemgerechtigde. Alledrie de partijen proberen hem over te halen. De nee-stemmers gaan voor hem zitten en schudden nee, wat hij enthousiast nadoet. De kattenliefhebbers hebben minder geluk, zowel ja schudden als miauw zeggen is nog een stapje te hoog gegrepen. Dan is het aan ons, maar ook wij krijgen hem niet aan onze zijde. Hij heeft er genoeg van, draait zich om en kruipt er in de zesde versnelling vandoor.
Het is duidelijk dat de saaie ‘nee-stemmers’ deze keer wederom in de meerderheid zijn, maar volgende week pak ik het grootser aan, dan ga ik voor de overwinning!

Nog acht dagen..

What you Need to Know before Filling out a W-4 form in Your New Office

Ik beweeg de muis en klik op ‘bevestigen’. Er is geen weg meer terug, over acht dagen krijgen we gezelschap! Ik hoop maar dat mijn lieve kinderen zich zullen gedragen tijdens de dagelijks terugkerende knuffelmomentjes, knuffeluren zelfs vermoed ik en dat ze na alle cadeautjes en verwennerij niet worden omgetoverd tot verwende, krijsende etterbakjes..

—-

Weken zijn we al bezig met de visumaanvraag van mijn schoonmoeder. De laatste keer dat we haar hebben gezien was in februari 2015, ruim een jaar geleden dus. Onze kleinste en ondeugendste druktemaker heeft ze zelfs nog nooit gezien. De vraag of ze wil komen is niet relevant, ze heeft geen keus, ze moet komen en dat heeft manlief haar lang geleden al duidelijk gemaakt.
Papieren zijn aangevraagd bij de gemeente, ingevuld, getekend en gestempeld. Bewijzen van financiele middelen zijn afgeprint en bijgevoegd, zelfs een formele uitnodigingsbrief steekt in de grote witte envelop. Niets wordt aan het toeval overgelaten.
Anderhalve week later krijgen we antwoord, het visum is afgewezen, er ontbreekt een handtekening. Nadat deze handtekening is opgestuurd krijgen we dan toch nog positief bericht, het visum is toegekend en wel voor twee maanden. Ik ben blij dat ze kan komen en haar zoon en kleinkinderen eindelijk weer in haar armen kan sluiten, maar stiekem vind ik twee maanden eigenlijk best wel lang en hoop ik dat ze die niet helemaal zal volmaken. Natuurlijk zeg ik dat niet en lach, juich en klap ik net zo hard mee als manlief.

Druk ga ik via elk mogelijke website op zoek naar het meest gunstig geprijsde vliegticket. De prijzen lopen enorm uiteen, evenals de reisduur. Drie keer overstappen, twee keer.. Nadat ik eindelijk een niet al te duur ticket met maar een overstap heb gevonden besluit ik deze direct te boeken, je weet maar nooit of hij over een uurtje ineens 50 euro duurder is, of misschien wel is uitverkocht.

Ik selecteer de vlucht en ga naar de volgende stap, de persoonsgegevens. De voornaam weet ik en ook de achternaam vormt geen probleem, maar dan kom ik bij de geboortedatum. Eerlijk gezegd weet ik niet eens in welke maand ze jarig is, al heb ik wel een vermoeden, maar de dag en het geboortejaar zijn me helemaal vreemd, dus gauw roep ik de hulp in van manlief. Vreemd genoeg heeft ook hij geen idee, dus hij pakt zijn telefoon en belt zijn moeder met deze dringende, uiterst belangrijke vraag. Uit de telefoonhoorn hoor ik zijn moeder antwoorden dat ze even haar paspoort zal pakken om te kijken naar haar geboortedatum. Serieus. Ik weet dat verjaardagen bij mijn schoonfamilie en vele landgenoten op leeftijd  niet zo belangrijk zijn en weinig worden gevierd, maar dat iemand zijn paspoort moet pakken voor het opzoeken van zijn eigen geboortedatum verbaast me toch behoorlijk.

Na vijf minuten komt het verlossende antwoord, haar geboortedatum is 1 januari 19.. Echt waar, 1 januari, net zoals de andere helft van haar dorpsgenoten. Vroeger wanneer de vaders weken of maanden na de geboorte hun kinderen gingen aangeven bij de gemeente wisten ze vaak alleen nog te vertellen dat er sneeuw lag, of dat de zon scheen. Aan de hand van deze belangrijke en zeer duidelijke kenmerken werd dan de geboortedatum bepaald, sneeuw betekende 1 januari. Zelfs het jaartal wilde nog weleens verschillen, bewust of onbewust. Gelukkig zijn deze tijden veranderd en heeft mijn man gewoon zijn echte geboortedatum in zijn paspoort staan. Tenminste, dat is wat hij beweert, stiekem verdenk ik hem er aan de hand van zijn uiterlijk van minimaal vijf jaar ouder te zijn.

Ik begrijp niet dat niemand deze makkelijke datum heeft kunnen onthouden, ik zal hem in ieder geval nooit meer vergeten. Afijn, we kunnen naar de volgende stap, het adres. Wederom moet manlief mij het antwoord schuldig blijven. Zijn moeder weet het wel ongeveer; het derde appartement na de hoek van de bakkerij, derde verdieping links. Omdat we denken dat dit toch niet helemaal het adres is dat bedoeld wordt, bellen we even verder en met behulp van google komen we er uiteindelijk uit.

We zijn nog maar een stap verwijderd van de definitieve boeking, als manlief ineens begint te twijfelen. Wat nou als ze haar bagage niet vindt op dat grote vliegveld in Istanbul waar ze moet overstappen, of erger nog, als ze de weg naar haar tweede vliegtuig niet vindt en de rest van haar leven moet doorbrengen in dat immens grote doolhof van een vliegveld? Na vijf minuten kan ik hem er van overtuigen dat ze heus niet zal verdwalen, het is een vliegveld in haar eigen land. Oke, ze kan niet lezen, maar iedereen spreekt daar haar taal dus ze kan het altijd aan iemand vragen. Hij twijfelt nog een klein beetje, maar dan zegt hij dat ik verder mag gaan met boeken. Over acht dagen is het zover..

Papa ‘past op’..

Lacoste Archives - Designer Studio Store Blog

Maanden terug heb ik het al beloofd en vandaag is het dan eindelijk zover, papa blijft voor het eerst alleen thuis met de kleintjes en ik ga samen met Amber naar de bioscoop.

‘S middags maak ik alvast een lekkere soep en ook de rijst kook ik gaar. Terwijl ik bijna zeker weet dat hij hem niet zal lezen schrijf ik toch een briefje met alle belangrijke dingen die hij zeker niet mag vergeten als ik weg ben;

De blauwe flessen zijn van Baran, de groene van Miran. Als er een onaantrekkelijke lucht om ze heen hangt is het tijd voor een schone luier, de plakkers moeten aan de voorkant. Ze mogen niet met messen spelen en niet tekenen op de muur. Voetballen in huis behoort ook niet tot de mogelijkheden, evenals skeeleren. Kleuren en knutselen gebeurt aan de eettafel en ze mogen elkaar niet slaan, krabben, schoppen of bijten. Als hij Baran naar bed brengt moet hij eerst het linkergordijn in zijn kamertje dichtdoen en daarna pas het rechter, zo doe ik het altijd en het is belangrijk dat hij het precies zo doet. Verder moet hij er aan denken dat hij eerst Mirans schoentjes uittrekt voordat hij hem in bed legt en tot slot moet hij niet vergeten om het nachtlampje van Ferhat aan te doen, terwijl hij mysterieus met zijn armen zwaaiend ‘hokus pokus pilatus pas, ik wou dat hier licht was’ roept.

Ik voel mij best een zeur na al deze belangrijke mededelingen, maar het is van essentieel belang dat ze strikt worden nagevolgd. Tussen neus en lippen door wijs ik hem nog eens op dat superbelangrijke stukje papier.

Terwijl hij de soep en de rijst opwarmt en het vlees bakt, dekt Amber de tafel en geef ik de jongens een schone luier. Ook doe ik ze hun pyama vast aan, ik durf niets aan het toeval over te laten. Na vijf minuten zit iedereen aan tafel en loop ik langs voor een kus. Als ik bij Dilay kom fluistert ze in mijn oor dat het vlees net kauwgom is, ze kan het niet doorslikken. Ik fluister terug dat ze het eens met een klein hapje moet proberen.

Om half zeven zitten Amber en ik in de auto. Er is een leuk liedje op de radio en ik draai het volume ver open. Mijn lieftallige puberdochter vraagt mij of ik dat liedje wel ken. Ik antwoord bevestigend en vraag mij af wat de reden is van deze nieuwsgierigheid. Zoetjes zegt ze dat ze verbaast is dat ik liedjes van deze eeuw luister, daar ben ik toch veel te oud voor?!
Ik dacht dat ik best een hippe, moderne moeder was, maar gauw haalt ze me uit die droom. Volgens haar zegt alleen al het feit dat ik het woord ‘hip’ gebruik, dat ik het niet ben.

We gaan de bioscoop binnen, kopen de kaartjes en zien dat we nog ruim een half uur de tijd hebben. We besluiten iets te gaan drinken in het aangrenzende restaurant. Zij bestelt een ice-t, ik een cola. Na eens om ons heen gekeken te hebben zien we dat we de enige gasten onder de 65 jaar zijn en gauw drinken we ons glas leeg, geven de ober een kleine tip en gaan weer richting bioscoop.

Ik vraag of ze haar telefoon pakt en een selfie maakt van ons, leuk! Hele dagen maakt ze selfies. In de stad, op school, in de winkel, overal, maar nu ik het vraag twijfelt ze en vraagt of het echt nodig is. Ik vind van wel en druk om zich heen kijkend neemt ze me mee naar een onzichtbaar hoekje achterin de gang en zegt dat we die foto gauw moeten maken voordat er iemand komt. Nog voor ik goed en wel naast haar sta is de selfie al gemaakt en verdwijnt de telefoon in haar zak. Ik hoop dat de foto een beetje leuk is, maar ik ben er bang voor.

We kopen chips en drinken, gaan de zaal binnen en nemen plaats in de middelste rij.  We kletsen over alles wat belangrijk is als je dertien bent; nagellak, school, schoenen en tassen, vriendinnen, kapsels en meer van dat soort wereldproblemen. Ik geniet van deze tijd samen, maar veel te snel verschijnt de film op het witte doek.

Als de film is afgelopen kletsen we nog wat na en stappen in de auto.
Thuis steek ik mijn blauwe sleutel in het slot van de witte voordeur met ondefinieerbare zwarte vlekken en draai de sleutel een kwartslag naar rechts. Bang voor wat ik zal aantreffen houd ik mijn adem in en duw de deur langzaam open.

Ik gluur om het hoekje en even denk ik dat ik zojuist het verkeerde huis ben binnen gestapt. De eettafel is afgeruimd en de vieze vaat is zelfs al in de vaatwasmachine gezet, de overgebleven soep staat keurig afgedekt in de koelkast, al het speelgoed zit in de daarvoor bestemde bakken, de kinderen liggen keurig in hun eigen bed en de jongens zijn zelfs al in diepe slaap, de kussens liggen netjes op de juiste plek op de bank en zelfs de schoenen staan perfect naast elkaar in een rij in de gang.

Ik hang mijn jas op, zet mijn schoenen netjes naast de andere schoenen in de gang, ga de woonkamer binnen en geef hem een vluchtige kus op zijn wang. Ik schaam me dat ik hem zo heb onderschat. Oke, hij heeft Ferhats lamp niet ‘aan getoverd’ en hij weet ook niet zeker welk gordijntje hij als eerst heeft gesloten in Barans kamertje, maar het huis staat nog overeind en iedereen ligt schoon en met een volle buik in bed. Papa kan dat ook!

 

Rimpels en geluk

C__Data_Users_DefApps_Windows Phone_AppData_INTERNETEXPLORER_Temp_Saved Images_babyhand

In kleermakerszit zit ik op de nieuwe laminaatvloer in het kleine zolderkamertje. Voor mij staat een zwarte Ikea bak, vol met oude foto’s en andere herinneringen. Een voor een graai ik de foto’s eruit. Een foto van mijzelf passeert, hij is genomen op een terras in Bodrum. Vol heimwee denk ik terug, wat een geweldige tijd was dat. Mijn grootste zorgpunt was welke kleren ik die dag aan zou trekken en welke schoenen daar het best bij pastten. Ik bekijk mezelf in de grote spiegel aan de muur en zie dat de jaren me geen goed hebben gedaan. Rimpels, wallen, grijze haren en vele kilo’s zijn erbij gekomen. Het valt de kinderen ook op, gister vroeg Dilay nog of ik soms een pluk haar wit had geverfd. Euh, ja?

De volgende foto is er een van Serkan. Een knappe, jonge barman kijkt speels met grote bruine ogen in de camera. Zijn huid is egaal bruin gebrand door de hete zon en zijn krullen dansen aantrekkelijk om zijn symmetrische gezicht. Ik zie dat de tijd hem ook niet met rust heeft gelaten. Zijn strakke wasbordje is inmiddels een heuse buik geworden. Tussen zijn dikke zwarte haar steken vele grijze haartjes, die ik bij hem, in tegenstelling tot bij mezelf, superaantrekkelijk vind. In zijn gezicht is hij niet heel veel ouder geworden, wel mannelijker en als hij een klein stoppelbaardje heeft smelt ik nog altijd weg, na al die jaren krijg ik nog altijd kriebels in mijn buik van zijn verschijning en vind ik hem nog steeds de knapste, meest sexy man ter wereld.
Jammer dat hij met de tijd ook wat van zijn charme is verloren. Hij draagt vaker een pyamabroek dan een pantalon en een overhemd of stropdas heb ik zelfs al jaren niet meer gezien, maar die hoef ik dus ook niet meer te strijken. Twee keer per dag tanden poetsen vindt hij niet meer zo belangrijk en hij begrijpt niet dat ik zijn scheten niet net zo grappig vind als hij.
Maar eerlijk? Mijn benen kunnen ’s winters ook wel wat vaker een scheerbeurt gebruiken, dat ik bijna net zo hard snurk als hij probeer ik allang niet meer te verbergen en de tijd van urenlang met buikpijn wachten met poepen tot hij op het werk is, ligt ook al ver achter me.

Ik vraag mij af hoe dat over dertig jaar zal zijn. Ik probeer me Serkan in te beelden, dertig jaar ouder en tien kilo zwaarder, een grijze, dun geworden haarbos, een rimpelige ‘oude mensen’ huid en waarschijnlijk ook een bos vol grijze borstharen. Ik kan me niet voorstellen dat ik hem dan nog aantrekkelijk zal vinden en andersom ben ik er zelfs van overtuigd dat hij het niet warm zal krijgen van mij in ‘oude-oma-kostuum’. Vreemd lijkt me dat, of zal dat met je relatie mee groeien en vind ik over dertig jaar zijn kale hoofd en zijn steeds langer wordende neusharen woest aantrekkelijk?

Vlug pak ik een nieuwe foto. Eentje van ons samen, genomen in een hotel in Turkije. We lachen vrolijk in de camera en achter ons glinstert de zon in de zee. Zorgeloos genieten, zwemmen, shoppen en lekker eten was alles wat we deden, elke dag opnieuw. We lagen nachtenlang te praten in bed, over alles wat wel en niet belangrijk was, over zijn en mijn jeugd en over films. Na uren te hebben gekletst vielen we in elkaars armen in slaap, om de ochtend erna uitgerust en vol energie weer wakker te worden.
Tegenwoordig is het bijzonder als we tegelijk naar bed gaan en elkaar vasthouden doen we allang niet meer, hoe meer ruimte, hoe beter de nachtrust, lijkt ons motto. Kletsen in bed? Ha! Als er binnen anderhalve minuut geen serieus oerwoud wordt omgezaagd is dat een wereldwonder, om van uitgerust wakker worden en uitslapen maar niet te spreken, wat is dat?!

Ik neem een briefje in mijn hand. Een handgeschreven briefje met een liefdesverklaring. Een ouderwets, romantisch briefje. Een briefje dat tussen de oude foto’s ligt en de liefde beschrijft tussen twee jonge geliefden.
De handgeschreven briefjes met ‘I love you to the moon and back – I love you too, you mean the world to me’ zijn veranderd in appjes met ‘een pak luiers maat 5, wcpapier en een bruin brood – Ok. Waar is de tijd dat we elkaar dagelijks onze oprechte liefde verklaarden, de tijd dat we ‘wedstrijdje’ deden wie meer van wie hield, ‘ik hou zoveel van jou als de hele wereld – ik hou zoveel van jou als de hele wereld en de sterren – ik hou zoveel van jou als de hele wereld, de sterren en de ruimte’. De liefde is er nog wel, meer zelfs, zoveel als de hele wereld, de sterren, de ruimte en alle planeten, maar het wordt niet meer uitgesproken. Het enig tastbare bewijs van deze woorden is het briefje dat ik vast heb. Ik vraag me af of onze kinderen later ook zulke briefjes gaan schrijven, maar ik ben bang dat whatsapp de handgeschreven briefjes heeft verjaagd. Zonde.

Ik ruim de foto’s op en zet de bak terug in de witte kast. De tijden zijn veranderd, onze relatie is gegroeid en ons leven is verrijkt. Oke, er zijn veel meer zorgen en een topmodel zijn we allang niet meer, maar we hebben er wel wat prachtigs, geweldigs voor terug gekregen; vijf lieve, mooie, ondeugende kinderen die ons elke dag weer laten zien hoe waardevol het leven is, die ons steeds weer laten proeven wat geluk is en die ons dagelijks laten weten hoe belangrijk wij voor ze zijn, ook met grijze haren en een rimpeltje meer. Een leven lang uitslapen en zorgeloos op vakantie gaan, wie wil dat nou?!