Broederliefde..

 

C__Data_Users_DefApps_Windows Phone_AppData_INTERNETEXPLORER_Temp_Saved Images_12015039_939326616106508_4482225668144522112_o

Zie ze daar toch eens zitten, de twee liefste broertjes van de hele wereld. Miran heeft een arm om Baran heen geslagen en geeft hem een kus. Baran lacht naar Miran en probeert hem op zijn eigen manier een aai over zijn wang te geven, maar verliest zijn evenwicht en samen rollen ze om. Ze schateren het uit en Miran probeert zijn kleine broertje al brabbelend overeind te helpen, waarna de knuffelsessie wordt herstart. Ik voel mezelf week worden, mijn tere moederhartje smelt. Hier moet ik een foto van hebben, dus gauw ren ik naar de keuken om mijn telefoon te pakken.

Nog voor ik de ouderwetse houten keuken heb bereikt hoor ik twee gorilla’s gillen, Baran nog harder dan zijn broer. Miran zit te mopperen en Baran huilt, de tranen rollen over zijn wangen. Ik besluit Baran op te pakken en mijn vrije arm om Miran heen te slaan. In babytaal vertelt deze mij wat er volgens hem is gebeurd. Veel begrijp ik er niet van, maar ik haal er wel uit dat volgens hem zijn kleine broer de schuldige is.
Ik draai me om naar de beschuldigde en vraag op een lieve toon waarom hij zijn broer zo pest, hij verstaat me toch nog niet, maar wordt wel blij van mijn zingende toon. Met de traantjes nog over zijn wangen begint hij vrolijk te zwaaien. En dan zie ik waar zijn verdriet vandaan komt.

Twee vurige rode streepjes prijken als een brandmerk net onder zijn wijsvingertje op zijn mollige babyhandje, het vel is iets geschaafd en aan de randjes kleurt het zelfs een beetje paars. Tijdens het innige knuffelmomentje heeft Miran hem enthousiast gebeten. Alweer.
Ik roep Miran bij me en laat het handje van zijn kleine broer zien. Ik probeer hem uit te leggen dat het veel pijn doet, dat het niet lief is om te bijten en dat hij het nooit meer mag doen. Hij is onder de indruk van mijn preek, maar ik vraag me af of hij wel heeft begrepen wat ik allemaal heb gezegd.
Ik zeg dat hij maar gauw een kusje moet geven en dan beginnen zijn oogjes weer te stralen, dat begrijpt hij wel en hij geeft zijn lieve, lastige kleine broertje een dikke kus, precies op zijn snottebel.

Alsof er niets gebeurd is knuffelen ze verder. Al gauw wordt het wilder en na twee minuten ligt Baran gestrekt op de vloer, zijn rechterwang platgedrukt tegen de koude witte tegels. Als een ervaren ruiter klimt Miran bovenop zijn kleine broertje en begint te wippen. Vlug grijp ik hem bij zijn arm en trek hem van zijn kleine babypaardje af. Hij kijkt me niet begrijpend aan en zegt ‘hoppaa hoo’, wat zoveel betekent als ‘hop paardje hop!’, een spel dat hij altijd met papa speelt. Dat datzelfde spel met zijn kleine broertje niet zo’n goed idee is komt niet in hem op en verontwaardigd probeert hij zich los te trekken om zijn spel voort te zetten.
Met zijn nieuwe puzzel kan ik hem afleiden en ik maak dankbaar van dit spaarzame rustige moment gebruik om naar het toilet te gaan. De deuren laat ik uiteraard open, wie weet wat voor briljante ideeen mijn peuter krijgt in de anderhalve minuut dat ik weg ben.

Terwijl ik met mijn oren gespitst op het toilet zit valt het mij op dat het veel te stil is. Snel sta ik op en loop na achtentachtig seconden met mijn knoop nog los het kleinste hokje uit, ik hoor nog steeds niets binnen en meestal betekent dat onraad. Ik vraag mij af of Miran misschien mijn telefoon heeft gevonden, die ik vlug achter de fruitschaal heb verstopt toen ik naar de wc liep, of zal hij een appel aan het eten zijn uit diezelfde fruitschaal? Als hij maar niet net zoals vorige week Barans melkfles heeft opengedraaid en de inhoud aan het verdelen is over de bank en het kleed..

Ik storm naar binnen en even raak ik in paniek. Waar zijn ze? Binnen drie seconden slaat de paniek om in een gelukzalig gevoel. Ik merk dat mijn mondhoeken zich onbewust omhoog krullen en ik voel alleen maar liefde.
Baran ligt op zijn buik met zijn hoofd onder de zwarte salontafel, zijn knietjes opgetrokken onder zijn kleine lijfje en in zijn handje klemt hij Mirans knuffel. Hij slaapt. Naast hem ligt Miran, zijn linkerarm om zijn kleine babybroer geslagen en de duim van zijn rechterhand in zijn openhangende mond. Ook hij slaapt. Het is het vertederendste wat ik ooit heb gezien en even besluit ik ze zo te laten liggen, maar dan bedenk ik me dat de vloer best koud en hard is om op te slapen en voorzichtig haal ik ze uit elkaar en leg ik ze in hun eigen zachte, warme bedje. Ik loop weer naar beneden, zet een kop koffie en kruip op de bank. Dan besef ik dat ik vergeten ben om een foto te maken van dat gelukzalige moment vol liefde van twee broers die vaak niet met, maar zeker ook niet zonder elkaar kunnen. Shit..

Advertenties

Lachen, gieren, brullen

wp_ss_20160320_0002

Het is zondagochtend, voor velen een lekkere luie dag, maar voor ons de drukste dag van de week. Ik zet de cornflakes op de grote eettafel en neem samen met de kinderen plaats voor een lekker, maar onverantwoord ontbijt. Als iedereen zijn kommetje leeg heeft ruim ik de afwasmachine uit en pak hem weer in. Ferhat wil mij helpen en terwijl wij samen alle bordjes en bekers opruimen vertel ik hem dat ome Leon en ik vroeger een rijmpje hadden: Zeg eens nee, met je kop in de wc!
Ferhat komt niet meer bij van het lachen. Gierend vertelt hij mij dat hij ook een rijmpje weet. Hij heeft net leren rijmen van juf Julie en zijn rijmpje is echt heel grappig. Terwijl hij staat te wiebelen op zijn benen van enthousiasme probeert hij zijn rijmpje te vertellen. Door het lachen komt hij niet meer uit zijn woorden, het moet wel een heel extreem grappig rijmpje zijn, ik vermoed over poep of plas. Ik kan niet wachten om de geweldige mop te horen en mee te lachen en eindelijk krijgt hij het tussen twee lachbuien door over zijn lippen. ‘Zeg eens nee? Met je kop in de kast!’ Hij kan niet stoppen met lachen en ik complimenteer hem met dit geweldig grappige, zelfbedachte rijmpje.

Terwijl de kinderen lief spelen haal ik vlug de droge, schone was van het wasrek en vouw het op. De mand met de opgevouwen was zet ik boven op de overloop en ik neem mijzelf voor dat ik later vandaag alles in de juiste kasten zal leggen.

Eenmaal beneden zie ik dat Baran een groene viltstift heeft gevonden en zichzelf heeft omgetoverd tot de Hulk. Zijn handen en gezicht zitten helemaal onder de groene vlekken en strepen, evenals de witte vloer en de stoelkussentjes. Ik probeer zijn gezicht en handen voorzichtig schoon te poetsen, maar de hardnekkige stiftvlekken laten zich niet verwijderen. De vloer poets ik met een luierdoekje en de kussenhoezen probeer ik tevergeefs in de overvolle wasmand te deponeren, waar ze vrijwel direct van de hoog uitstekende bult op de grond glijden en ik besluit dat ik ze daar maar laat liggen. Ik haal de wasmachine leeg en hang alles keurig op, terwijl ik uit de woonkamer het geluid van een op stang gejaagde yeti hoor. Echt waar, hij bestaat, en wel in mijn huis, ik weet het nu zeker! Gauw kijk ik wie dit tenenkrommende geluid produceert en zie dat het Baran is. Behalve het irritante gebrom op hoog volume blijkt hij ook nog iets anders te produceren, of eigenlijk is het gebrom een direct gevolg van wat hij in zijn luier probeert te drukken. Ik neem hem mee naar de badkamer en vlug verschoon ik hem.

Als ik de kamer weer inloop zie ik iedereen fluisteren en gniffelen. Ik vraag wat er aan de hand is, maar niemand wil me dat vertellen. Het moet heel grappig zijn, want ze proesten het uit.

Ik pak de bezem en probeer alle koekkruimels, vastgeplakte, opgedroogde stukjes banaan en cornflakes bij elkaar te vegen. Steeds als ik me omdraai hoor ik mijn heksjes weer gniffelen. Ze weten niet waar ze moeten kijken en nog steeds wil niemand zeggen wat er is. Ik pak een emmer en vul hem met wat allesreiniger en heet water, stop de dweil erin, wring hem uit en begin de vloer te dweilen. Secuur poets ik alle chocomelvlekken en tomatensoepkledders van de vloer, onder steeds luider wordend gelach van mijn draakjes. Ik loop naar de keuken, spoel de dweil weer in de emmer sop en wring hem nogmaals uit. Ik doe de dweil weer in de houder, veeg mijn natte handen af aan mijn pyamabroek en voel dat ik briefgeld in mijn kontzak heb, vreemd. Het dringt tot me door dat ik helemaal geen kontzak heb in mijn pyamabroek en vraag me af wat het dan is. Ik besluit nog eens te voelen en op dat moment kan Ferhat het niet meer houden. Mekkerend als een schaapt roept hij ‘mamaaa, je hebt een witte sticker op je bil!’. De tranen rollen over zijn wangen van het lachen en de rest lacht even hard mee. Ik steek mijn hand naar achter en trek de zachte ‘sticker’ van mijn kont, om te ontdekken dat het om een ongebruikt inlegkruisje gaat. Hoe hij er terecht is gekomen is een raadsel, maar ik ben blij dat hij eraf is voordat de potentiële koper komt om onze auto te bekijken..

 

Engeltjes en horrorgeluiden

stoepkrijt

Ik til hem het huis binnen en leg hem zachtjes op de bank. Voorzichtig trek ik zijn schoenen uit, maar zijn jas laat ik aan. Ik ben veel te bang om dit vredige moment te verstoren, dus leg ik een carsdekentje over hem heen, druk een voorzichtige kus op zijn bolle voorhoofd en loop naar de keuken.

Het is heerlijk weer en het lijkt me leuk voor de kinderen om in het gangetje hun allermooiste creaties tevoorschijn te toveren met stoepkrijt. Uiteraard moet er ook een old skool hinkelpad worden getekend en uitgeprobeerd, of beter nog, twee hinkelpaden. Omdat ik tijdens onze verhuizing de emmer met stoepkrijt heb weggegooid, besluit ik ‘even snel’ naar de winkel te gaan voor nieuwe..

Zonder ook maar een seconde te verspillen wurm ik de twee oudste jongens in hun jassen en prop ik vier voeten in de bijbehorende schoenen. Ik pak mijn autosleutels en vlug gaan we op pad. Zoals gewoonlijk wil Miran niet op zijn troon in de auto en gebruikt hij zijn meest moderne move, de plank. Dit gaat gepaard met een hoop gegil, geschreeuw en woeste blikken. Zonder aandacht te schenken aan de nieuwsgierige blikken van voorbijgangers probeer ik hem met mijn rechterhand in zijn stoel gedrukt te houden, om met mijn linkerhand de riem dicht te kunnen gespen. Het kost me een hoop moeite en geduld, maar bij mijn vierde poging lukt het eindelijk.

Ik doe snel de autodeur dicht en met een druk op de knop start ik de motor. Ik rij zachtjes de straat uit en in mijn achteruitkijkspiegel zie ik dat ik word nagestaard door een aantal nieuwsgierige buurtbewoners, zonder kinderen uiteraard. De horrorgeluiden achterin de auto verstommen langzaam en de laatste drie kilometer zitten we zelfs zingend in de auto.

Eenmaal bij ‘de stoepkrijtwinkel’ zoek ik een makkelijk plekje achteraan, waarom zou ik moeilijk doen als het niet nodig is. Bovendien is de ruimte aan beide kanten handig als ik bij terugkomst de ervaren plank weer in zijn stoel moet krijgen.

Wonder boven wonder komen we zonder al teveel boze blikken of geschreeuw bij de winkel aan, maar zodra ik mijn euromuntje in het geldvakje van de winkelkar duw en de kar uit de rij trek begint het dan toch. Dramatisch gaat meneer op de grond liggen. Huilend en schreeuwend schopt en slaat hij woest om zich heen. Een oudere vrouw stapt op hem af en aait hem over zijn koppie. Ze wordt begroet met een woeste blik gevolgd door een ‘Nee! Mag niet!’ uit de schuimende mond van mijn opstandige peuterpuber. Ik voel dat vele blikken op mij zijn gericht en ik hoor een deftig geklede vrouw zeggen dat haar kind dat nooit zou doen. Bevestigend antwoord een wat oudere man dat hij zijn kind dit afstotelijke gedrag allang afgeleerd zou hebben.

Ik besluit mijn kwaadaardige monster op te pakken en gewoon in de kar te stoppen. Met mijn linkerarm bedwing ik de bovenste helft van zijn lichaam en met mijn rechterarm de onderste helft terwijl ik zijn voeten met mijn ellebogen in de beengaten van het winkelkarretje probeer te duwen, maar steeds als ik er een in heb gekregen heeft hij de andere er alweer uitgewurmd. Als hij uiteindelijk anderhalve seconde afgeleid is door een blaffende hond aan de overkant van de straat grijp ik mijn kans en zet hem snel in het zitje van de winkelkar. Met opgeheven hoofd loop ik zonder om te kijken de winkel in, weg van alle neerbuigende blikken.

Eenmaal in de winkel heb ik een engeltje in mijn wagentje. Hij lacht en zwaait naar iedereen die hij ziet, geeft zijn broer tientallen kusjes en roept tegen alles wat hij ziet dat het ‘moooooooo(i)’ is. Gauw loop ik naar het rek met buitenspeelgoed en pak het stoepkrijt. We lopen naar de kassa en als we aan de beurt zijn mag Miran betalen. Stralend van trots geeft hij de twee euromunt aan de kassiere.

Ik haal mijn engeltje uit de kar en zodra zijn voeten de grond raken transformeert hij weer in een woeste, stampvoetende draak. Hij wil niet naar huis, hij wil niet bij de winkel blijven en hij wil al helemaal niet ergens anders heen. Deze keer heb ik geen geduld en neem hem met mijn beide armen in de houdgreep. Horizontaal klem ik hem tegen mij aan en terwijl hij meer lawaai produceert dan een kudde vechtende olifanten loop ik met Ferhat naast me naar de auto. Ik open vlug de deur en vis een snoepje uit het dashboardkastje. Zodra hij het snoepje in zijn mollige handjes krijgt is hij stil en terwijl hij gefascineerd het roze paashaassnoepje bestudeert kan ik hem moeiteloos in zijn stoel zetten en de riem vastgespen. Zonder dat Miran het ziet geef ik Ferhat twee snoepjes en zeg dat ik het fijn vind dat hij altijd zo flink luistert.

Zingend en dansend rijden we terug naar huis en ook de auto moet eraan geloven. Zodra we voor een rood stoplicht staan wordt hem door een lieve kleuter opgedragen mee te dansen, net zoals de vorige keer. Op het ritme van de muziek trap ik steeds de rem een stukje in. De jongens vinden het prachtig en beginnen te klappen. Zodra het stoplicht op groen springt geef ik rustig gas en rijd het laatste stukje naar huis. Ik parkeer de auto, stap uit en open de deur. Mijn woeste, opstandige peuterpuber ligt tevreden als een engeltje dubbelgevouwen in zijn stoel. Uit zijn linkerneusgat druipt een druppel snot en in zijn mondhoek borrelt wat speeksel, maar oh wat ziet hij er schattig en perfect uit. De vervelende driftbuien van even geleden verdwijnen naar de achtergrond en ik zie alleen maar een lief slapend engeltje. Mijn engeltje. Voorzichtig haal ik hem uit zijn stoel en leg hem binnen op de bank.

Ik roep de andere kinderen en laat ze trots het zojuist gekochte stoepkrijt zien. Enthousiast zeg ik dat we er mooi mee kunnen kleuren en tekenen, zelfs een hinkelpad kunnen we ermee maken!
Ze halen hun schouders op, draaien zich om en verdwijnen naar hun kamertjes om verder te gaan waar ze mee bezig waren. Ik leg het ongebruikte stoepkrijt in de garage, zet voor mezelf een welverdiende kop koffie, loop de trap op en begin met het inruimen van Dilays nieuwe kast. Eindelijk..

Mijn mini stylist

Je haar verven is een hele klus _ Dreamstime

Al weken ligt het pakje te wachten onderin het middelste badkamer kastje. Al evenveel, zo niet meer weken krijg ik van mijn complimenteuze kleuter te horen dat ik zulk mooi geel met grijs haar heb. Zo bijzonder en het staat me zo goed, wordt me meerdere keren per week lief toegefluisterd.

Ik begrijp dat het modebeeld van mijn kleine vriend in niets lijkt op het modebeeld van ’s werelds meest beroemde artiesten en nog minder op dat van bekende stylisten en kappers. Eigenlijk kan ik er gewoon niet meer om heen, ik heb het al veel te lang uitgesteld, het is tijd om mijn haar om te toveren tot een mooie stralende bruine bos, zonder grijze plukken.

Als de hele bende slaapt pak ik het pakje middenbruine haarverf uit het middelste badkamerkastje. Ik trek mijn oudste hempje aan en drapeer zorgvuldig de voor deze taak gereserveerde witte handdoek met bruine en zwarte verfvlekken over mijn schouders, die ik vervolgens met een rode wasknijper onder mijn kin vastklem. Geconcentreerd lees ik de gebruiksaanwijzing en sla zoals altijd het eerste stukje, de allergietest, over. Ik open het flesje en knijp de tube er volledig in leeg, draai het flesje weer dicht en begin te schudden. Ik voel de onderkant van mijn flubberige bovenarmen schokkerig meeschudden en wederom besef ik mij dat het geen overbodige luxe is om eindelijk eens een abbonement bij een sportschool te nemen.

Ik knijp flinke klodders verf in mijn handen en smeer het masserend in mijn weelderige haarbos. Als de tube helemaal leeg is masseer ik de verf nog wat dieper in mijn geelgrijze lokken en dan pak ik een klein, wit, krakend plastic zakje en knoop het zorgvuldig om mijn natte haar. Voor de zekerheid lees ik de gebruiksaanwijzing nog eens door en zie dat de verf twintig minuten in moet trekken. Zoals elke keer vraag ik mij af of ik moet tellen vanaf de eerste pluk of de laatste pluk die in de verf is gezet en zoals iedere keer besluit ik te tellen vanaf het moment dat alle verf in mijn haar zat, dertien voor negen dus. Ik zet de kraan aan en houd mijn rechterhand onder de automatische zeepdispenser. Uitgebreid was ik mijn handen, ik ben vergeten handschoentjes aan te trekken en hoop dat de schade meevalt.

Uiterst charmant ga ik met mijn in plastic gewikkelde haar, pyamabroek en bevlekte cape op de bank zitten. Voorzichtig, want ik wil geen bruine vlekken maken op de witte bank. Het nepleer voelt koud aan tegen mijn halfblote rug en vlug zet ik de verwarming iets hoger.

Als ik weer lekker zit en onbeschaamd keihard meelach met de flauwe, al honderd keer gehoorde grappen van friend Chandler wordt er aan de deur gebeld. Onnadenkend sta ik op en open de voordeur, manlief is vroeg vandaag. Ik werp een blik in de deuropening, zie de buurman staan en besef me ten volle dat hij op zijn minst moet denken dat er marsmannetjes naast hem wonen. Beleefd als altijd laat hij niets merken en vraagt of wij mee willen doen met het geboortecadeautje voor de baby van een andere buurman en zijn vrouw. Nadat ik heb bevestigd draait hij om en doe ik snel de deur dicht, ik weet zeker dat hij, eenmaal uit het zicht, keihard moet lachen.

Inmiddels is het zeven over negen en loop ik naar de badkamer. Ik ga op mijn knieën voor het bad zitten, draai de kraan van de douche open, pak de douchekop en spoel zorgvuldig alle bruine verf uit mijn haar. Dan knijp ik het uit en wikkel er een andere oude handdoek omheen. Ik borstel en fohn mijn haar en werp een blik in de spiegel. Geschrokken kijk ik naar het beeld dat naar mij terugstaart. De hele bovenste rand van mijn voorhoofd is donkerbruin, evenals de helft van mijn oren. In mijn nek zitten grote bruine vlekken en zelfs het puntje van mijn neus is niet gespaard gebleven.

Met een multifunctioneel luierdoekje poets ik zo goed als het kan de viesbruine kleur van mijn huid en na vijf minuten ben ik weer enigszins toonbaar. Ik zie dat het verfflesje een bruinzwarte kring heeft achtergelaten op mijn witte wastafel en pak nagellakremover en alcohol, maar wat ik ook probeer, de wastafel blijft versierd met een mooie zwartbruine circel. Ik kijk of ik mijn nagelriemen enigszins schoon kan krijgen met terpentine. Helaas, ze blijven smerig zwartbruin en ook de vlekken op mijn huid willen niet helemaal weg.
Maar hé, mijn haar straalt je als uit een andrélon reclame tegemoet en dat ook nog in een modebewuste kleur.

Ik zet de verwarming vijf graden lager, draai de voordeur op slot, doe de lampen uit en loop naar boven. Voorzichtig neem ik een kijkje bij mijn slapende monsters en geniet van dit kortdurende rustige moment. Niet veel later stap ik mijn  eigen bed in en denk aan mijn kleine stylist, ik hoop dat hij morgenvroeg bereid is zijn afwijkende modebeeld iets bij te stellen..

Van alle markten thuis

wp_ss_20160318_0004

 

Ik kan luiers verschonen, wasjes draaien, eten koken, schoonmaken, afwassen, .. terwijl ik met mijn grote teen een baby kietel, met mijn scheenbeen een wildebras behoedt voor een harde val van de tafel waar hij eigenlijk niet op mag klimmen en dat allemaal onder het genot van kinderliedjes die ik zing als een nachtegaaltje. Een stervend nachtegaaltje met keelontsteking dan.

Als ik dat allemaal kan, dan kan ik zeker ook auto’s verkopen. Ik bedoel, hoe moeilijk kan het zijn? Je maakt een paar prachtige foto’s van je mooie bolide, schrijft er een nog prachtiger verhaal bij over hoe mooi en speciaal de kleur is, niet zilver, niet grijs, maar zilvergrijs, met glans! Je schrijft hoe heerlijk de stoelen zitten en hoe de spiegel precies goed af te stellen is om de achterbank te bekijken, hoe er talloze handige opbergvakjes zijn voor koekjes, luiers en speelgoed. Ook schrijf je hoe je perfect met je rechterhand bij de in je rug schoppende voeten kunt. Oke, voor de zekerheid zet je er nog wat technische taal van het kentekenbewijs bij, echt waar, er zijn mensen die serieus willen weten wat voor brandstof hij gebruikt en ik heb zelfs de vraag gehad van welk bouwjaar de auto is, kun je het geloven?
Na het stukje onbegrijpelijke getallen en woorden plak je er een leuk prijsje op en gegarandeerd is je auto in no time verkocht.

Eigenlijk werd het me een beetje opgedragen door manlief, ons kleine autootje staat al maanden stil, is meer dan overbodig en ik ben toch bijna de hele dag thuis, wat moet ik anders doen?!

Vol goede moed begin ik met de foto’s. Ik zie dat de mooie zilvergrijze kleur helemaal niet glanst. Sterker nog, het is niet meer zilvergrijs, maar zwartgrijs. Een goede poetsbeurt is hard nodig. Ik ga het huis binnen, roep Ferhat en zoek mijn bril, maar mijn bril is nergens te vinden. Hij ligt niet op de kast, niet op het aanrecht en niet in de gang. Hij ligt zelfs niet in de koelkast deze keer, hij is gewoon echt onvindbaar. Gelukkig heeft Ferhat een goed idee en heb ik mijn bril niet nodig. Ik mag mijn ogen dicht doen, hij zal mijn ogen zijn. Hij zal extra goed opletten en mij vertellen waar de straat is, wanneer er iemand oversteekt of wanneer we moeten afslaan. Na dit goede voorstel stappen we voor het eerst sinds lange tijd weer in de kleine auto en gaan op pad. Voor de zekerheid besluit ik toch mijn ogen open te houden.
Ferhat neemt zijn taak uiterst serieus en zegt mij dat ik de spiegels beter moet afstellen, hij ziet helemaal niets zo, hartstikke gevaarlijk! Ik leg hem uit dat de spiegels anders afstellen juist gevaarlijk is, omdat ik dan niets zie en ik moet rijden. We worden het niet eens en al kibbelend rijden we de wasplaats op. Ferhat gooit een euro in de automaat en we pakken de bezems, borstels, hogedrukspuiten en zeeppistolen. Het lijkt wel een schuimparty, we zitten helemaal onder, maar de zilvergrijze auto glanst weer.

We stappen in en rijden terug naar huis voor de fotoshoot met als middelpunt ons zilvergrijze glanzende maatje. Als een ervaren topmodel poseert hij in elke opgedragen positie. Klep open, klep dicht, deuren open en dicht, wielen opzij om zijn nieuwe banden te showen, niets is hem te gek. Als we klaar zijn plaats ik de foto’s op internet samen met de benodigde informatie en wacht af.

De eerste smsjes komen binnen vijf minuten en zijn teleurstellend. Hoger dan de helft van de vraagprijs wordt er niet geboden. Beleefd antwoord ik elk smsje. Ik bedank voor de interesse, maar geef aan dat ik de geboden prijs te laag vind. Ik begin al spijt te krijgen van dit avontuur en verbied mezelf ooit nog een auto te verkopen.
Dan komen de mailtjes en die zijn ook al niet veel beter.
Ik krijg weer een sms, of het soms euro norm vier is? Ik vraag mezelf af waarom iemand die de auto te duur vindt, blijft smsen. Euro norm vier… Al vraag ik zes keer de waarde in euro’s, dan moet ik dat toch zelf weten? Gaat die irritante betweter mij een beetje vertellen dat de auto vier keer minder waard is. Geirriteerd antwoord ik dat het vijf is en denk in mezelf ‘lekker puh’.

Direct krijg ik een nieuw bericht. Vijf kan niet, vier is het maximum. Hij wil echt graag weten wat de co2 uitstoot is, is het nou euro norm vier of niet?

Oh. Oeps. Ik pak mijn roze/oranje kentekenbewijs en besef me dat ik geen idee heb waar hij het over heeft. Er staat nergens iets over een euro norm, echt helemaal nergens. Beschaamd stuur ik dat ik het niet weet, maar dat hij maar even op de meegestuurde foto van het kentekenbewijs moet kijken. Een minuut later antwoordt hij dat het niet is ingevuld. Hij vindt het jammer, maar gaat verder kijken.

Het is inmiddels vijf uur later en ik krijg nog steeds rode wangen van schaamte als ik eraan terugdenk. Ik beloof mezelf dat ik nooit meer een auto ga verkopen en ik prent mezelf in dat ik in het vervolg niet meer zo vlug moet oordelen, maar eerst door moet vragen wat iemand precies bedoelt. Kattig worden kan altijd nog..

Bloemetjessokken en monsters

Yelloh! Village Les Tournels_____ - speeltuin met grind en zand

Met een kop koffie zit ik aan de keukentafel en denk aan wat ik vandaag allemaal al heb gedaan. De gigantische stapel was is zo goed als weggewerkt, het eten is al klaar om op te dienen, de vloeren zijn geveegd en gedweild en de jongens zijn al in bad geweest, Ferhat met een mooie ‘don’t cook, just eat’ plastic zak van de pizzeria om zijn arm. En warempel, het saaie witte gips is droog gebleven.

Ik heb nog bijna een uur de tijd voor ik moet gaan werken en weeg mijn opties af. Ferhat en Dilay spelen buiten, Miran zit op de Ipad (met gebarsten scherm door diezelfde Miran) en Baran slaapt lekker in de box. Zal ik mezelf een plezier doen en lekker onderuit op de bank gaan hangen, mijn voeten met schone bloemetjessokken op de kleine salontafel en mijn hoofd op het zachte dikke kussen, of zal ik de rest een plezier doen en de kinderen meenemen naar de speeltuin.
Twee stemmetjes in mijn hoofd maken ruzie. Het luie stemmetje vindt dat het tijd is om te gaan bankhangen, het lieve stemmetje zegt dat ik de kinderen heel blij maak als we naar de speeltuin gaan. Ik besluit naar het lieve stemmetje te luisteren en pak voorzichtig Baran uit de box, trek hem een jas aan en leg hem lekker toegedekt in de zwarte buggy. Hij slaapt door, yes! Miran krijgt zijn groene jas en zijn bruine schoenen aan en daar gaan we.

Ik stap het drempeltje bij de voordeur af en vraag me af waarom het zo koud aanvoelt. Een blik naar beneden zegt mij waarom; met mijn mooie schone bloemetjessokken ben ik zojuist de straat opgestapt. Vlug trek ik binnen mijn schoenen aan en dan kunnen we echt vertrekken. Miran wil zelf lopen. Oh nee, toch niet. Lopen is geen succes, optillen nog minder en bovendien veel te zwaar terwijl ik de kinderwagen voortduw met mijn andere hand. Ik probeer een stukje door te lopen. Zonder om te kijken, maar stiekem uit het zicht om het hoekje glurend, loop ik verder. Mekkerend en drammend komt hij langzaam achter me aan. Er rijden op dit stuk geen auto’s, dus ik besluit de wandeling op deze manier voort te zetten.

Halverwege pikken we Dilay en Ferhat op. Zodra ze horen waar we heen gaan beginnen ze te stralen. Ze vragen wel vier keer of we echt naar de speeltuin gaan, geen grapje? Het dringt tot me door dat ik daar misschien wat vaker tijd voor moet maken.

Zodra we de speeltuin binnengaan zie ik het al. Een immens grote zandbak. Of eigenlijk, geen zandbak maar een complete zand-speeltuin. Als een nijlpaard ploft Miran in het zand. Eerst begint hij nog rustig met zijn kleine vingertjes in het zand te wroeten, maar het wordt al gauw wilder. Na vijf minuten is hij een enthousiaste zandgooiende sneeuwmachine. Ferhat en Dilay gaan bij hem zitten en proberen hem over te halen mee naar de glijbaan te gaan. ‘Leuk Miran, het is een hele snelle glijbaan! Kijk! Die mooie daar!’, zeg ik. Helaas, hij laat zich niet ompraten en binnen de kortste tijd zitten we allemaal onder het zand. Onze broekzakken zitten vol, net als onze schoenen. Onze hoofdhuid is bijna niet meer zichtbaar door alle zandkorrels die in ons haar zijn blijven hangen. Sommigen hebben zelfs een zandsnor, gemaakt van snot gemengd met zand.

Ik besef dat het toch al te laat is en als een kleuter ga ik erbij zitten. We maken oliebollen en taartjes, nee, je kunt ze niet echt op eten. Miran gelooft het niet en probeert toch een hapje. Als hij een tweede hapje wil nemen vind ik dat het tijd is om naar huis te gaan.

Drie teleurgestelde zandmonsters sjokken achter me aan. Als we thuis zijn klop ik iedereen zo goed als het kan af en uit. Aan hun voeten schud ik ze op de kop heen en weer. Grapje, zo sterk ben ik niet. In plaats daarvan trek ik alle jassen en schoenen uit voor de deur en stuur iedereen naar de badkamer voor een tweede badsessie. Een snelle, want ik moet werken.

Fris en fruitig komen ze uit bad. We lopen de kamer binnen en zien een heel zandspoor. De overige zandkorrels liggen wijdverspreid door de woonkamer heen. Ik besluit het zo te laten, morgen is er weer een dag.

Dan trek ik mijn jas en mijn schoenen vol zand aan en stap weer de drempel af naar buiten. Om te gaan werken deze keer. Alleen, zonder kinderen. Ik neem diep adem en doe de deur achter me dicht. Een rustig avondje kan beginnen.

Met zonder deuren

Ikea , perusahaan raksasa yang menjual berbagai produk furniture baru ___

Eindelijk is het zover. Er komt een nieuwe garderobekast voor Dilay. Het is ook wel dringend nodig, want de vorige is twee maand geleden al ingestort. Manlief gaat hem samen met haar kopen, maar ik kan het natuurlijk niet nalaten mijn suggestie mee te geven, een mooie witte kast met drie deuren, waarvan een spiegeldeur.

Drie uur later wordt er aan de brievenbus gerammeld. Ze zijn er weer. Met kast. Mijn kast is het niet geworden, die was er niet. Echt niet. Het is wel een andere mooie kast geworden. Een mooie kast, zonder deuren of vakken blijkt later. Ikea zou Ikea niet zijn als alles niet apart werd verkocht. Ze hebben het nog nagevraagd bij een medewerkster, maar volgens haar was het toch echt dit ene pakket. Tot overmaat van ramp blijken twee van de vier planken ook nog beschadigd te zijn.

De twee kleinsten gaan naar bed en met de andere drie stap ik in de auto. Voor de tweede keer vandaag legt ons autootje de weg naar Ikea af. We hebben de beschadigde planken mee en ruilen ze om. Dan gaan we gauw de Ikea binnen op zoek naar de deuren. En de planken. Oh en natuurlijk ook de rails voor de manden.
Op het welbekende Ikea welke-gang-formulier schrijven we met het kleine Ikea potloodje op waar we onze spulletjes kunnen vinden. We gaan naar beneden en laden alles op onze kar, maar dan zien we de mooie witte kast met drie deuren, waarvan een spiegeldeur. Hij straalt ons tegemoet als een blinkende diamant, stralend in de zon. Als een pareltje in een zojuist geopende oester. Als de kast onder de kasten.. Wauw! Eigenlijk willen we die. Dilay vindt vooral de spiegel het einde. Tja, je bent acht en ijdel, wat moet je met een kast zonder spiegel..?

We vragen een medewerker of we zonder problemen de ‘kast zonder deuren’ terug kunnen brengen, ook al is de doos gescheurd. Het kan! Vlug zetten we de deuren en planken van de ‘kast zonder deuren’ terug en pakken alledrie de pakketten van de kast met de spiegeldeur. We gaan gauw naar de kassa en dan stap ik in de auto om de mooie kast naar huis te brengen, de andere helft van de ‘kast zonder deuren’ te halen en om de twee kleinste jongens uit bed te pakken en mee te nemen, want manlief moet gaan werken.
De groten blijven en drinken een theetje, of een colaatje in het Ikea restaurant. Ik beloof dat we als ik terug ben pannenkoeken zullen eten in het Ikea restaurant.

Ik laad de kast zonder deuren in de auto. Dan pak ik de twee jongens uit bed, geef ze een schone luier en zet ze in de auto. We moeten opschieten, want de pannenkoeken worden maar tot 17.00 uur gebakken.
Met nog zes kilometer te gaan besef ik dat ik het niet ga redden en om 16.54 bel ik Amber om te zeggen dat ze vast in de rij moeten gaan staan en hun pannenkoeken bestellen.

Niet veel later draai ik de parkeerplaats op en vind een mooie ruime ‘mama’s met kinderwagens’ plaats vooraan. Ik ren hijgend en zwetend met de jongens in de kinderwagen naar de deur en druk op de liftknop. En nog een keer. De deuren gaan open en we stappen de lift in naar boven. Zodra we uit de lift stappen zie ik ze staan en vraag waarom ze geen pannenkoeken hebben besteld.
Het was druk en ze waren pas om 17.01 aan de beurt en helaas, de pannenkoeken konden ze niet meer krijgen, want die waren maar tot 17.00 uur. (Flauw Ikea!)

We besluiten om dan maar friet met kipballetjes te eten. De enige die de kipballetjes lekker vindt is (natuurlijk) Baran. De rest geniet van de frietjes. Na het eten ligt er een tapijt van geknoeid eten, wat ik gauw even opruim met een paar luierdoekjes.

Nu moet de ‘kast zonder deuren’ nog worden teruggebracht. Zonder te controleren vraagt de mevrouw van de klantenservice of ik alles terug in de doos heb gedaan. Ik geef bevestigend antwoord. ‘Alles. Twee zijkanten, de boven en onderkant, twee zakjes met schroeven en spul. Alles.’
En de achterkant, zegt mevrouw. Shit. Nee. Niet de achterkant. De achterkant die nog boven op de overloop staat…

We gaan naar huis en vijf minuten later rijdt ons autootje ons voor de vierde keer die dag naar Ikea. Met achterkant deze keer.

Na het retourneren van de ‘complete kast, maar zonder deuren’ krijgen we geen geld terug, maar een tegoedkaart. Zucht. Zo’n kaart die je ergens opruimt en altijd vergeet. Of kwijtraakt. Zo’n kaart. Balen!

Ik kijk naar Dilay. Ze heeft een glimlach van oor tot oor en ze staat te springen van blijdschap. Ik glimlach ook en bedenk me dat dat gelukkige gezichtje meer waard is dan welke stomme tegoedkaart ook.

Me, myself & I

image

Vandaag is het maandag. Eindelijk. Na zes avonden mijzelf te hebben moeten vermaken is manlief weer eens een dag vrij.
Stiekem geniet ik best van mijn privetv als hij aan het werk is. Van de rust, soms, als de bende slaapt. Van de hele bank voor mij alleen. Het ongegeneerd snoepen en snaaien in een veel te grote onsexy pyamabroek met bijbehorende slobbertrui. Van de nootjes en de chocola die ik met niemand hoef te delen. Maar soms, soms is gezelschap ook fijn. Samen naar de tv kijken, de nootjes en de bank samen delen. Een gesprekspartner in de buurt met een vocabulaire groter dan twintig woordjes. Ja, ik kijk er altijd weer naar uit.

Ik sta op van de bank en loop naar de keuken. Ik pak twee plastic handschoentjes uit het doosje, trek ze aan en begin een ui te snijden. Het inmiddels ontdooide vlees ligt klaar om in stukken te worden gehakt. Vanuit de woonkamer hoor ik een diepe zucht, gevolgd door een ‘aahh nee. Het is maandag. We gaan zeker weer bonen eten. Bah’.
De maandagen zijn bekend. Berucht. Wederom leg ik uit dat papa maar een dag in de week thuis eet en dat we dan dus eten wat hij wil. En dat is elke maandag hetzelfde; witte bonen stoofpotje in tomatennat met lamskoteletjes, rijst en salade.

Na het avondeten, de kinderen hebben hun buikjes gevuld met wat kale rijst en wat salade, vertrek ik met de jongens naar de badkamer. Ik leg de krokodillenbadmat in het antieke bad en draai de kraan volledig open. Terwijl het bad volloopt kleed ik een voor een de jongens uit en zet ze in bad. De meiden roepen om het hoekje dat ze naar boven gaan. Huiswerk maken en slapen. Ik bedenk me dat ik als iedereen straks slaapt, over een half uurtje hopelijk, eindelijk weer met manlief een aflevering van onze serie kan kijken, we lopen achter. Heerlijk, ik heb er zin in.

Iets sneller dan normaal was ik haartjes, oksels, teentjes en navels. Vlug haal ik ze een voor een uit bad en wikkel ze in de lekker warm geworden handdoek die ik van de verwarming pak. Luiers, rompers, onderbroeken, pyamas en tandenborstels vliegen me om mijn oren, maar binnen tien minuten is iedereen klaar om naar bed te gaan.
We vertrekken naar boven en lezen nog snel een verhaaltje. Een kleintje vandaag. Zodra iedereen in zijn bed ligt doe ik de lampen uit en de deuren zachtjes dicht. Ik hoop dat iedereen zonder mopperen gaat slapen en het lijkt erop dat de goden me deze keer gunstig gezind zijn, iedereen is braaf blijven liggen en ik hoor nog niets.

Ik draai me om en loop naar beneden. Vrolijk, want na zes avonden alleen is het eindelijk weer tijd voor ons. Samen. Ik stap de keuken binnen en snuffel in de keukenkastjes naar iets om te snoepen. Met mijn handen vol met nootjes, drinken en suikervrije chocola loop ik de kamer in. Ik ben er klaar voor.

En daar ligt hij. Zijn hoofd op het grijze kussen, het kleine cars kussentje van Ferhat in zijn armen geklemd, de deken half over hem heen en zijn ogen dicht. Hij slaapt. Na die zes vermoeiende werkdagen is hij nu helemaal op. Zachtjes wek ik hem en vraag waarom hij niet lekker naar bed gaat. Hij gaat naar boven. En ik? Ik trek mijn veel te grote onsexy pyamabroek en bijbehorende slobbertrui aan en kruip ongegeneerd met de chocola en nootjes alleen op de bank. Alweer.

Beer, waar ben ik?

image

Het is één uur ’s nachts en iedereen slaapt. Ik zit op de bank en merk dat de tv nog steeds op Disney Junior staat. Te moe om op te staan en de afstandbediening te pakken laat ik het zo. Een lege chipszak ligt naast me, daar gaan mijn goede voornemens.
Ik wil gaan slapen, maar ben te moe om de zak weg te gooien en de stijle trap op te lopen, dus blijf ik zitten. Ik doe niets, helemaal niets. Ik zit niet op mijn telefoon of op de Ipad, ik kijk geen tv en ik lees geen boek. Ik ben niet met de administratie bezig die vanaf het kastje naar me kijkt en me al dagen roept en ik ben niet de was uit de uitpuilende wasmand aan het opvouwen. Ik zit daar alleen maar, te moe om naar bed te gaan.
Mijn ogen zakken langzaam dicht en ik probeer mijzelf naar bed te sturen, maar eigenwijs als altijd luister ik niet. Het wordt half twee en nog steeds zit ik daar. Ik staar naar de klok en het dringt tot me door dat er zo niet veel slaaptijd voor mij over blijft vannacht. Om twee uur kan ik mezelf eindelijk de lelijke bruine trap op slepen en doe zachtjes de deur van de ouderlijke slaapkamer open die ergens lang geleden al is omgetoverd tot familieslaapkamer, elke nacht slaapt er minimaal één kind.

Manlief ligt andersom in bed, zijn hoofd aan het voeteneind. Volgens hem omdat het bij het hoofdeinde tocht, maar volgens mij heeft hij gewoon een rijke verbeelding, ik heb nog nooit iets gemerkt. Ik ben ook de kwaadste niet, dus ik pak mijn platte kussen en kom gezellig naast hem liggen. Het voelt wat onwennig en ik ben bang om uit bed te vallen, maar binnen anderhalve minuut verkeer ik in diepe slaap. Af en toe word ik half wakker van een snurk die uit mijn eigen keel blijkt te komen, sexy..

Baran geeft een harde schreeuw, gevolgd door een bende lawaai. Ik doe mijn best goed wakker te worden en wil zoals altijd aan de linkerkant uit bed stappen. Het gaat niet, er ligt een grote woest snurkende beer in de weg. Ik begrijp niet waar ik ben en zwaai wild met mijn armen om erachter te komen in welke positie ik mij bevind. Ik probeer richting hoofdeinde te schuiven, maar het hoofdeinde ontbreekt en gedesorienteerd val ik met een smak op het lichtgrijze laminaat. In mijn onbenullige poging op te staan neem ik de babyfoon van het nachtkastje mee en stoot mijn hoofd tegen de poot van het bed. ‘Shit’, mompel ik zo zacht mogelijk en ik voel mijn hoofd kloppen, dat wordt minstens weer een bult ter grootte van een zachtgekookt struisvogelei. Of hardgekookt, mag ook.

Baran is geschrokken van de show die zich naast hem afspeelt en begint nog meer en harder geluid te produceren. Zodra het mij is gelukt om op te staan pak ik hem en loop naar beneden. Ondertussen is Miran ook wakker geworden en voordat hij zijn grote broer wakker maakt besluit ik hem ook maar mee te nemen. Te laat, ook Ferhat is wakker.
Met zijn vieren zitten we om kwart over drie op de bank. We kijken naar babytv. Nee dat is niet waar, zij kijken naar babytv, ik zit erbij als een zombie, rechtstreeks ontsnapt uit The Walking Dead.
Een half uurtje later kan ik iedereen weer in bed leggen. Ze vallen gelijk in slaap en ze slapen zelfs ‘uit’ tot acht uur. Maar andersom slapen, daar begin ik niet meer aan..

Alles in de soep

De Soep Van De Baby Royalty-vrije Stock Afbeelding - Beeld_ 16524156

Het is een rustige woensdagmiddag en ik vraag mij af waarom ik nooit meer een lekkere verse soep maak. Een vluchtig kijkje in de bijna lege koelkast leert mij dat alle ingredienten voor een heerlijke courgettesoep aanwezig zijn. Ik sluit mijn telefoon aan op de speakers in de keuken en onder luide muziek was en snij ik zingend en dansend de groenten. Als eerst de courgette, want als manlief die ziet liggen eet hij niet meer, die lust hij namelijk echt niet.
Miran kijkt niet eens om, hij is niet anders gewend dan een gekke mama in de keuken. Baran kijkt me een beetje twijfelend aan en begint dan voorzichtig mee te doen. Ik pak hem op en samen zwieren we als een stelletje malloten door de keuken, maar wat hebben we een pret.

De pan gaat op het vuur en ik knijp het laatste restje van de vloeibare boter met olijfolie in de pan. Gauw rasp en snij ik toch nog een wortel, hoe meer vitamientjes hoe beter. Als de boter warm is gaan de groenten erbij en nadat ze wat gebakken zijn kunnen de kruiden, bouillon en anderhalve liter inmiddels alweer afgekoeld water uit de waterkoker erbij. De deksel gaat op de pan en zachtjes pruttelt het verder terwijl wij steeds wildere bewegingen beginnen te maken op de veel te harde muziek. Miran doet inmiddels ook mee en met Baran op mijn linkerarm en Miran op mijn rechter draaien we in het rond.
Na vijf minuutjes kan ik niet meer en plof samen met mijn twee druktemakers op de bank. Ik moet echt eens aan mijn conditie gaan werken. Maar niet vandaag, misschien volgende maand?

Ik neem een kijkje in de keuken bij de soep en zie dat hij klaar is om gepureerd te worden. Ik zet de staafmixer in de pan, maar vergeet hem schuin te houden. Klodders soep spetteren tegen mijn keukenkastjes. Alweer. Wanneer leer ik het nou eens? Ik pureer gauw verder, geen enkel stukje mag over blijven.

Als de soep helemaal glad is dirigeer ik de meiden de tafel te dekken en zet de jongens in hun kinderstoelen. Zodra de pan soep op tafel verschijnt zie ik iedereen bedenkelijk kijken. Gezichtjes betrekken en er wordt gevraagd of ze dat echt moeten eten en of ik wel zeker weet dat het eetbaar is.
Na mijn bevestiging nemen de oudsten voorzichtig een hapje. Ze kijken me aan alsof ik ze zojuist een bord vol olifantenpoep heb voorgeschoteld. Miran eet wat van zijn soep, maximaal drie hapjes, zoals elke avond. Ferhat zegt voorzichtig dat de smaak een beetje tegenvalt.
De enige die de soep kan waarderen is Baran. Enthousiast trekt hij het kommetje naar zich toe. Hij houdt het kommetje stevig in zijn handje geklemd en begint te schudden. De inhoud verdwijnt op de vloer, zijn kleren en in zijn haar. Geirriteerd besef ik waarom ik ook alweer nooit soep maak.

Ik vraag mij af of ik de overgebleven soep in de w.c. zal kieperen of toch nog een tweede kans gun. Op dat moment komt manlief binnen. Hij schuift aan en schenkt zichzelf wat soep in. Vol smaak eet hij zijn kom leeg en complimenterend zegt hij dat het erg lekker is, goed dat ik de courgette deze keer heb weggelaten. Ik zeg niks, maar vraag me af wie hij eigenlijk voor de gek houdt.

Ik sta op, pak de oudste handdoek die ik kan vinden en begin de troep op te ruimen. Eet smakelijk.